Twee blogs

Het eerste blog handelt over de geschiedenis van textiel en over het verdwijnen van het textiele ambacht uit de gezinscultuur. De titel is: TEXTIELKUNDE.

Aan reeds gepubliceerde hoofdstukken in dit eerste blog voeg ik wel eens een alinea toe. De grote hoeveelheid onderwerpen, de manieren waarop ik ernaar kan kijken bewerkstelligen dat dit blog altijd werk in wording blijft. De laatste wijzigingen dateren van 22 november 2023: over de staking in Bangla Desh, over het verdwijnen van de scholing in textiele technieken en over de cultuurveranderingen begin jaren zestig.

In het tweede blog vertel ik maandelijks over HET MAAKPROCES VAN MIJN WERKSTUKKEN. De laatste wijziging dateert van 22 november 2023.

Geplande tentoonstelling

11, 12 en 13 april 2024 in Rijswijk, bij Den Haag in de Broodfabriek.

WAAR VINDT U BEIDE BLOGS ?

In het onderste deel van deze superlange pagina vindt u het blog waarin ik maandelijks vertel over MIJN WERKSTUKKEN. Scrolt u s.v.p. aan de zijkant van deze lange pagina tot halverwege. Dan ziet u aan de gewijzigde typografie en andere kleurstelling dat het tweede blog is begonnen. Het tweede deel begint met een inhoudsopgave.

Het eerste blog begint direct hieronder en heeft als titel TEXTIELKUNDE. De hoofdstukken handelen over zo veel mogelijk aspecten rond textiel: AMBACHTELIJK, TAALKUNDIG, PSYCHOLOGISCH, ECONOMISCH, HISTORISCH, TECHNISCH EN SOCIAAL. De artikelen kunnen in willekeurige volgorde worden gelezen. De alinea’s in dit eerste deel hebben een gekleurde achtergrond.

Textielkunde

BLOG OVER AMBACHTELIJKE, TAALKUNDIGE, ECONOMISCHE, HISTORISCHE, TECHNISCHE EN SOCIALE ASPECTEN VAN TEXTIEL

A.INLEIDING EN AANLEIDING (–) A. Inleiding AI Aanleidingen AII Verantwoording
B. WAAROM DIT BLOG? (–) B 1. Waarom is informatie over textiel belangrijk? B II Definitie van textiel, draad, filament, twijnen B III Verschijningsvorm van een draad. 
C DE BETEKENIS, HET BELANG VAN TEXTIEL (–) C I  Textiel, kledingstukken in onze taal, in uitdrukkingen. C II ‘Kleren maken de man’ over kleding vanaf de Middeleeuwen (apr. ’23) CIII Maar dan: de draad en het garen….in onze taal, in de mythologie. C IV Hoe ging dat vroeger…de draad?
D. ONZE VOOROUDERS/VOORMOEDERS (maart ’22) (–)
E. HOE WAS DAT DAN VROEGER? (–) E 1: Fragmenten uit interviews en boeken. E II Onzichtbare economie? E III De naaimachine (20 april 2023) E IV Kakkers: over rangen en standen. (1 mei ’23) E V Handwerkonderwijs in de jaren vijftig, zestig van de vorige eeuw.(nov ’23) E VI Cultuurveranderingen in de jaren zestig.

F. ETYMOLOGIE TEKST TEXTIEL TECHNIEK (–)
F. Etymologische (en dus ook historische, technische) relaties tussen begrippen/woorden als techniek, tekst, textiel en papier.

G. DE ONZICHTBARE VROUW (–) G. De onzichtbare vrouw (okt. ’22) G1. De onzichtbare vrouw II (okt. ’22) GII. Is dat erg: onzichtbaar zijn?
H. VROUWENWERK (–) H. Vrouwenwerk en het maken van draad. HI. Het maken van draad II.
I. KLEDING MAKEN IS ALTIJD HANDWERK (–)
I. Ook een gekocht kledingstuk is met de hand gemaakt. I1. Er is een staking in Bangla Desh (nov. 2023)
J. ONTWIKKELING TEXTIEL IS INDUSTRIELE ONTWIKKELING (–)
J. Textielmuseum wordt industriemuseum.
J I. Van industrialisatie via verandering naar sociale onrust (in ontwikkeling)
 H. WEVEN EN ONZE VOORMOEDERS (–)
HI De rol van vrouwen bij het weven
HII Voorwaarden om te kunnen beginnen met spinnen
 
 
 
 
 

A. INLEIDING

Een jaar of tien geleden, mijn leerlingen hadden herfstvakantie en ik dus ook, besloot ik om naar een handwerkbeurs te gaan. Te vroeg kwam ik aan. De deuren van de hal waren wel al open; ik liep naar binnen met de mensen die hun plek zochten in hun stands. Zo kreeg ik een indruk van de Nederlandse textielwereld. Ik bleek die wereld wel te kennen: knoopjes, lapjes, draadjes van zijde, bollen wol, naalden, enkele naaimachines, workshops. Wat ik wel gek vond: al die relatief kleine kraampjes met kleurige veelvormige voorwerpen staan verloren in zo’n gigantische bruingrijze betonnen hal. Het leek er te waaien. En dat terwijl er met lappen van textiel toch eenvoudig een betoverende sfeer en een hemels plafond van zachtheid en kleur gecreëerd zou kunnen worden. Ik kocht niets, werd lid van een handwerkvereniging en was tevreden over mijn zelfbeheersing. Want meerdere malen gaf ik een grote doos met lapjes, een lade met kralen weg aan handenarbeid-collega’s. Die zouden er wél aan toekomen het materiaal in hun lessen te gebruiken. Tegen de tijd dat de toegangsdeuren officieel geopend werden liep ik weer naar buiten tegen een stroom in van honderden meisjes, veelal met zijn tweetjes, van mijn leeftijd. Hoe was het gekomen dat ikzelf geen van mijn vriendinnen zou vragen om mee te gaan naar een handwerkgelegenheid? Heb ik mijn vriendinnen geselecteerd op het hebben van interessante maatschappelijke loopbanen? En zeg ik daarmee dat werken met textiel dus maatschappelijk niet interessant is?

Na mijn bezoek speelde een gedachte door mijn hoofd: heb ik in mijn leven eigenlijk wel genoeg gedaan met textiel? Gelukkig kon ikzelf als eerste glimlachen om die vraag. Als er iemand is, die altijd wel een lapje in welke vakantietas dan ook stopt, een breiwerk onderhanden heeft en de overige werkstukken zijn te talrijk om te beschrijven, dan ben ik het. Ik had tijdens het bezoek aan de beurs bij mezelf waargenomen hoe ik altijd aan de lapjes stof voel; eerst tussen mijn vingers, dan aai ik het lapje, soms geef ik er daarna nog een paar klopjes op; zoals we doen als we een vriend(in) na lange tijd weer zien. Tijdens die zintuiglijke ervaring komen herinneringen naar boven: dit lapje voelt als de stof waarmee ik een wiegje bekleedde, de babykleertjes van mijn zusje, de blokfluittasjes, de poppenbedjes, de stofjes van die nieuwe handwerkwinkel, de flanellen popjes. En ik voel of een lapje stof is gemaakt van organisch natuurlijk materiaal of synthetisch. De vraag stellen is ‘m beantwoorden. Bij thuiskomst begon ik met het maken van wandkleden: abstract werk gebaseerd op landschappen. Enkele aquarellen waar ik niet tevreden over was, bleken te vragen om een vertaling in textiel. Nooit eerder maakte ik zoiets en Ik had geen idee of de resultaten kwaliteit hadden. Niet veel later gebruikte ik die wandkleden om toegelaten te worden tot textielopleidingen. Tot dan toe zei ik naar waarheid dat ik aquarelleren als hobby had en ik verzweeg dat ik graag werkte met naald en draad. Sindsdien kom ik ervoor uit: ik werk graag met stof, met textiel.

AI AANLEIDINGEN

Een andere gedachte die me na het bezoek aan die grote hal niet meer losliet was: waar is de cultuur uit mijn jeugd van zelf kleding maken gebleven? In mijn kindertijd maakte mijn moeder, maar ook mijn tantes en de buurvrouwen de kleding voor hun kinderen zelf. Ik wil dat niet idealiseren, want ik herinner me hun gezucht over het vele werk. De outfits voor de zomer waren nog niet klaar en dan dienden de truien voor de herfst al weer te worden gebreid. Mijn moeder kon verzuchten: ‘ Gelukkig, de nieuwe trui staat op de pennen.’ Ik herinner me de prikkende knopspelden als ik een kledingstuk in wording moest passen. Ik herinner me de grote zomen in de rokken, waardoor een jurk vaak ook de derde zomer nog draagbaar was. Maar ik zal ook nooit de trotse blik van de maaksters vergeten wanneer hun kinderen keurig gekleed naar school konden. De kleding uit de winkel werd niet alleen kwalitatief onvoldoende bevonden, vooral ook onbetaalbaar. Ik vind het jammer dat het ambacht, de handigheid, eigenlijk vooral de intelligentie min of meer zijn verdwenen. En met het verlies van die vaardigheid verloren we meer: de geautomatiseerde beweging van werken met naald en draad is contemplatief. Je handen doen het werk en nadenken, mijmeren gaan vanzelf. Het voelt liefdevol wanneer je iets maakt voor de ander. Ons gevoel van competentie, van eigenwaarde gaat omhoog als we zelf iets maken. Wat we daarbij ook verloren: de individualiteit en de identiteit die horen bij: ik heb iets gemaakt voor mijzelf, dat qua pasvorm en uitstraling precies bij me past. Met deze kleding kan ik iets meer laten zien wie ik ben.

Hoe kan die maakcultuur zó verdwenen zijn? Temeer omdat ik denk dat we er als samenleving niet super op vooruit zijn gegaan: natuurlijk een kledingstuk bestellen met een klik op de muis is gemakkelijk. Maar na enkele keren dragen belanden veel van de niet vooraf gepaste kledingstukken in de textielafvalcontainer. Het leek me van belang en interessant om uit te pluizen hoe de veranderingen zich voltrokken. Vervolgens kwam ik uit bij informatie waarvan ik uitermate vaak dacht: waarom wist ik dit niet? Waarom las ik hier niet eerder over?

Gaandeweg ging ik me realiseren: ook de jaren vijftig van de vorige eeuw vormden slechts een fase in een millennia-lang proces waarin de draad, het weefsel en daarmee de makers ervan steeds een andere rol in de samenleving kregen. En daar hoort steevast een andere waardering bij: want wie een nieuwigheid wil bewerkstelligen, maakt in de eerste plaats duidelijk dat het bestaande, dat wat we kennen van vroeger niet goed is. En degene die de nieuwigheid overneemt weet niet beter dan dat hem/haar een voorrecht ten deel valt. ‘Iets nieuws’ is verrassend, verleidelijk.

A II VERANTWOORDING

Toen ik 18 was ging ik studeren aan de sociale academie. Braaf kocht ik de voorgeschreven boeken. Die zou ik zes weken later niet meer nodig hebben, want toen brak een soort van revolutie uit. Enkele ouderejaars-medestudenten hadden de avond ervoor het schoolgebouw niet verlaten. Zij hadden in slaapzakken de nacht doorgebracht in school en bleken in het bezit van de voordeursleutel. Een eenvoudig recept voor een bezetting. Iedere schooldag ging ik trouw naar school waar werd gediscussieerd over de eisen van de actievoerders.

De bezetters eisten projectonderwijs. Ze bedoelden daarmee: afzonderlijke vakken zoals psychologie, recht of agogiek konden worden afgeschaft. Wij studenten dienden te leren vanuit één algemene vraag. Dat mocht gerust een eenvoudige vraag zijn, want het antwoord op die vraag werd gezocht over heel de wereld in alle mogelijke vakgebieden. Een eenvoudige vraag in het kader van dit blog zou kunnen zijn: waarom werden handwerktechnieken vanaf zeker moment niet meer op school onderwezen? Om die vraag te beantwoorden dien ik te zoeken in tientallen vakgebieden, waarna ik vele antwoorden vind die allen in verband staan met elkaar.

Vakgebieden…de naam zegt het al… zo hebben we het leven overzichtelijk geordend: er is kennis van het lijf en kennis van de emoties, kennis van de natuur en kennis van de cultuur, kennis over geld (economie) en kennis over textiel. Alleen…dat laatste is geen vak…ah…we zijn vergeten om een vak te maken, waarin de kennis over textiel kan worden opgeslagen. We hebben het over ontdekkingsreizigers, over belangrijke koningen, over handelsroutes, over oorlogen en er is geen vak over textiel. Voor nu denk ik dat dat komt omdat mensen er niet bij stil staan dat kleding en stoffen zo’n belangrijke voorwaarde zijn voor ons bestaan. We vinden het vanzelfsprekend dat het er is, en gelukkig is het dat ook, maar de geschiedenis en het belang ervan leert ons ook veel over wie wij zijn.

Het verdelen van kennis in vakken heeft ook te maken met het wetenschappelijke uitgangspunt dat alles meetbaar dient te zijn. Als je meerdere vakken naast elkaar laat bestaan (wat in het echte leven altijd het geval is) dan valt niets meer te meten. Dus daarom kadert men realiteiten in, in een vak, zodat het meetbaar is.

Een ander voorbeeld van een relevante vraag zou kunnen zijn: hoe kan een nieuwe broek €19,- kosten? Welke economische wet, welk psychologisch mechanisme, welke sociologie, welke vervoerssystemen, welke machtsstructuren houden verband met de nieuwe broek en de prijs ervan? Want dat hadden de stakers en de bezetters uit mijn studententijd heel goed door: alles houdt verband met uiteindelijk alles.

Dat is me ook gebleken bij het schrijven van de stukjes over textiel. Er bestond op mijn opleidingen geen vak dat ‘textiel’ heet. En er was/is geen enkel schoolvak waar het de aandacht krijgt die het verdient. Terwijl: de textielindustrie is na de chemische industrie de grootste economische factor ter wereld. Dus vandaar: we staan via textiel in verband met onze voorouders, met de wereld om ons heen, met de natuur, met onze gezondheid, met techniek, met uitbuiting en vervuiling en schoonheid. Als ik zou proberen om welk facet dan ook af te bakenen dan simplificeer ik ontoelaatbaar. Dus daarom: mijn schrijfsel lijkt misschien wel eens een beetje chaotisch, niet alles doet er in dezelfde mate toe, maar liever zoek ik naar feiten en woorden voor iets dat ik niet begrijp dan dat ik doe alsof ik een mooi antwoord heb op een niet relevante vraag.

Overigens: in het tweede jaar van mijn HBO-tijd hadden we weer gewoon vakken en boeken. Decennia later schoolde ik mezelf om. Als leerkracht in het basisonderwijs was ik dol op de projectmaand. En op die manier wil ik de stukjes over textiel schrijven: breed, samenhangend. ik ontleed een ogenschijnlijk willekeurig detail en pluis uit 🙂 wat dat dan betekent voor het grote geheel. Ik heb er een naam voor: TEXTIELKUNDE. Een heel belangrijk vak.

B. WAAROM DIT BLOG ?

Sedert het bezoek aan die beurs komen mijn textielherinneringen naar boven. Misschien laat ik ze nu pas toe. Ben ik de enige bij wie thuis een naaimachine van Singer stond? Ik ben verbaasd over hoe het kan dat kleding maken zo is verdwenen uit de westerse cultuur. Ook staat het verdwijnen van die maakcultuur haaks op mijn enthousiasme over werken met textiel. Hoe kan dat? Ben ik gek of zo? Waarom ben ik me zo bewust van het negatieve huisvrouwenimago van werken met naald en draad? Waarom kan ik patchwork naar het Nederlands alleen vertalen met lapwerk, of lapjeswerk of stukwerk? Waarom hangt rond het begrip patchwork een sfeer van soep, kerk en zuinigheid, terwijl het gewoon een ambachtelijke, duurzame techniek is? Zelf kan ik in patchwork een techniek (je verbindt kwalitatief goede lapjes textiel uit versleten kledingstukken) zien die analogieën vertoont met hoe ons leven vaak verloopt: we onthouden het kleine waardevolle uit grote ervaringen. En daarmee creëren we een samenhangend verhaal, een nieuw houvast.

Ik ging lezen over textiel. Vaak las ik een stukje waarna ik het boek korte tijd weglegde. De nieuwe kennis moest bezinken. Om een voorbeeld te noemen: toen ik las hoeveel zijde er verhandeld is via de zijderoutes, heb ik getwijfeld: zijn die cijfers overdreven? U hoorde ongetwijfeld wel eens over zijderoutes van duizenden jaren geleden: er ontstonden handelssteden van China tot Egypte tot Italië. Als de cijfers kloppen dan hebben vrouwen een paar duizend jaar geleden een leven geleid van tot slaaf gemaakten. Zoveel weven…dat kan je geen huisvlijt of werk noemen; dat was uitbuiting. Dus ook destijds in China faciliteerden vrouwen, zelf onzichtbaar, anderen die zich met de zijde in het openbaar konden manifesteren en daar geld mee verdienden.

In dit blog deel ik mijn nieuw gevonden kennis. En ook is een reden om te schrijven…..als ik denk aan de toekomst…..we leven in een ingewikkelde tijd….het is nog maar de vraag of de containers uit lage lonenlanden zo probleemloos en zo goedkoop blijven leveren.
Wie weet pakken we ooit weer letterlijk een oude draad op en gaan we zelf kleding ruilen, herstellen en (ver)maken. Wie weet leest een leerkracht die achtergrondkennis zoekt een stukje in mijn teksten dat past bij lessen over de waarde van textiel. Wie weet leert dit blog: het is niet gek om iets te maken met naald en draad. Wie weet leren en ervaren kinderen op school dan weer: via de vezels van textiel maken we een verbinding van onze zintuigen, onze motoriek naar de natuur, naar de aarde, naar wie wij zijn. naar onze identiteit, naar onze vele voormoeders, naar de wereld om ons heen, naar de dag van morgen. Want dan kan ik aan anderen laten zien wat ik zelf heb gemaakt. En dat zal anderen dan weer inspireren.

B.1 – WAAROM IS INFORMATIE OVER TEXTIEL BELANGRIJK?

Tot nu toe krijgt textiel bijvoorbeeld in de geschiedenislessen op school, geen expliciete aandacht. Dat is jammer, want als we de rijke kleding van de geportretteerde burgers uit de Gouden Eeuw zouden kunnen thuisbrengen, dan zou ons dat uitermate veel leren over het verschil in rijk en arm. Dan zouden we woorden kunnen geven aan de kragen en manchetten die gedragen worden door rijke mensen op de geschilderde portretten. Hoelang werkte een kantwerkster aan zo’n kraag? Wat verdiende zij daarmee?
Misschien is Nederland een land dat met grote stappen over zulke ‘details’ heenstapt. Wij zijn graag rechtlijnig. In Engeland kun je borduren studeren aan de universiteit. Daar bestaan gerenommeerde handwerkinstituten. Midden in Londen staat een gigantisch Victoria en Albertmuseum gewijd aan (onder andere) handwerken. In Nederland hebben wij ook zo’n museum: De Kantfabriek. Een museum dat zeker de moeite van het bezoeken waard is, al ligt het dan in het midden van Nergens en wordt het beheerd door vrijwilligers. Overigens: ook in Leiden staan gerenommeerde textielinstituten. In De Lakenhal kun je zien hoe vroeger de kwalitatief ongeëvenaarde wollen lakenstof werd gemaakt. In 2022 was er een project waarbij de wollen stof op traditionele wijze werd geproduceerd. (Zie Sara Vrugt bij de Links) in België kun je weven leren aan de kunstacademie. In België bestaan gesubsidieerde textielopleidingen (bijvoorbeeld over vilten, over textiel als materiaal in de kunst) van enkele dagen per week, die enkele jaren duren. In Nederland lijken stoffen en weefsels iets te zijn dat er eenvoudigweg altijd was. We staan er niet bij stil: onze kleding voelt als een verlengstuk van onszelf, als een tweede huid.

Onlangs begon op t.v. een prachtige serie over de historie van Vlaanderen. Belangrijke gebeurtenissen of taferelen worden nagespeeld door acteurs. In de eerste aflevering toont men het leven van laten we zeggen vóór de ijstijd en de periode ‘vlak erna’. De mensen droegen beschermende kleding die gemaakt was van huiden. In latere tijden werd de kleding gemaakt van geweven stof. De draden voor het weefsel waren waarschijnlijk afkomstig van hennep en/of van (brand)netels, misschien ook al van vlas. De deskundigen vertellen hoe mooi dat leven van jagers en verzamelaars geweest moet zijn: een paar uur per dag, meer tijd zal het niet gekost hebben om vruchten te plukken of vlees te scoren. Voor de rest van de dag konden onze voorouders chillen, zo wordt gesuggereerd. Met een glimlach denk ik dan: en die kleding dan? Er was toen nog geen H&M. Maar de deskundigen zijn zich daar niet van bewust en dus wordt er geen woord aan gewijd.

Als ons wordt gevraagd naar de eerste levensbehoeften van een mens, dan denken we aan eten, aan een dak boven ons hoofd, aan liefde, iemand die van ons houdt. Oh ja en warmte hebben we nodig. Daarvoor maken we vuur of we zetten de thermostaat een stukje hoger. Maar zien wij mensen onszelf voldoende in onze kwetsbaarheid als een kaal zoogdier? Wij hebben geen vacht. De plukjes haar op ons lijf die hier en daar voorkomen, dragen niet bij aan het vasthouden van warmte. En zeer lang geleden, toen we nog iets meer overeenkomsten met de oorspronkelijke mensaap hadden, was onze beharing eveneens dermate gering dat we er niet warm van werden. En dat terwijl wij mensen uitermate kwetsbaar zijn waar het onze lichaamstemperatuur betreft. Een graad of vier á zes speling hebben we, maar onder de vijfendertig en boven de éénenveertig graden houdt ons lijf het al gauw voor gezien. Alleen de olifant heeft als landzoogdier eveneens geen vacht. Maar de olifant heeft een zeer dikke huid, waardoor koude geen probleem is. Wij mensen hebben lang in warme streken gewoond en we hebben als soort vaak beschutting kunnen vinden in grotten. Toen die grotten bezet waren, diende gewoond te worden in streken met een klimaat, waar koude voorkomt in een mate waar wij mensen niet tegen bestand zijn. Onze voorouders hebben van bladeren, van stengels, van vezels bosjes gemaakt. Er zal iemand zijn geweest die de bosjes op een handiger manier aan elkaar verbond, hij/zij kon namelijk met een draaiende beweging touw maken uit vezels van stengels van planten. Mensen leerden om van lussen knopen te maken, ze leerden vlechten. Lussen en knopen hebben ook een symbolische waarde. De Kelten kennen een soort logo’s van verknoopte lussen, een soort symbolen voor oneindigheid. Als je kunt knopen kun je netten maken, strikken aanleggen, voorwerpen bij elkaar binden. De technieken werden van generatie op generatie steeds meer verfijnd. Vanuit touw ontstond, via fijnere vezels vlas, garen, zijde. In het boek van Harari (Sapiens) staat op blz. 31 dat ongeveer vijftigduizend jaar geleden (ongeveer 2500 moeders vóór mij) mensen leefden aan wie wij de paradoxen van de kwantumfysica zouden kunnen uitleggen. Hij bedoelt daarmee te zeggen: die mensen leken uitermate veel op ons, we zijn min of meer even intelligent. Onze voorouders uit die tijd kenden pijl en boog, naald en dus ook draad en olielampen en kralen. Ik schrijf ‘kenden’, hetgeen geen juist gekozen woord is, want….zij maakten alles zelf. Ook mijn voormoeder heeft een kind gebaard, anders was ik er niet geweest. Ook zij heeft, zoals alle aanstaande moeders het gevoel gehad dat het bedje, de beschutte rustplaats van het kindje niet zacht genoeg kon zijn. Ze zal op zoek zijn gegaan naar pluisjes, naar dotjes om de bedekking zo zacht mogelijk te maken. De drang een nestje te bouwen voor je kind is vrijwel universeel bij alle zoogdieren. Zonder zo’n nestje, bedje, wiegje overleeft een baby’tje niet.

De wetenschapper Bowlby deed (wreed) onderzoek naar hechtingsgedrag bij aapjes. Hij bouwde een soort koker van ijzerdraad: als het aapje daar op klom kon het drinken uit een flesje. Vervolgens plaatste hij er een soortgelijk bouwwerk naast, dat was bekleed met zacht textiel, het pluche weefsel dat we kennen van knuffels. Hoewel het aapje geen eten kreeg via de met zachtheid beklede constructie koos het overduidelijk voor de zachte textuur van de namaakvacht. Slechts één uur per etmaal ging het aapje drinken uit de ijzeren, kille constructie om daarna te kroelen bij de zachtheid van het textiel. Ik denk dat wij mensen niet zouden kunnen leven zonder textiel. Alleen: we zijn vergeten of het is ons nooit geleerd dat het zó belangrijk is.

B. 2. DEFINITIE VAN TEXTIEL

Misschien denkt u bij het vorige hoofdstuk: wat hebben bosjes touw met textiel te maken? Sorry, ik vergat de definitie. TEXTIEL bestaat namelijk uit vezels. Dat kunnen vezels zijn uit planten (katoen, brandnetels, hennep, vlas) of vezels afkomstig van een dier, bijvoorbeeld de wol van een schaap of de zijden draad van een vlinder. Die korte stukjes vezels worden uiteengerafeld, in dezelfde richting gekamd en vervolgens gedraaid tot een draad. Dat draaien noemen we spinnen. Die draad wordt geweven tot een doek. En dan heb je textiel. Stof. Het weefsel dat ik zojuist beschreef komt dus uit de natuur. Er is een uitzondering op wat ik hierboven vertelde: zijde. Die hoeft niet meer te worden gesponnen, want de zijderups levert de draad kant en klaar af in de cocon. Die cocon hoeft alleen te worden afgewikkeld en dan heb je een zijden draad. Overigens wordt die eerste zijden draad wat dikker gemaakt door enkele zijden draden weer in elkaar te draaien. Een dun draadje dikker maken door ze in elkaar te draaien met andere draden heet twijnen.

Er is ook textiel, die uit de scheikunde voortkomt. De draad die gemaakt wordt in de fabriek is eindeloos. Die draad wordt filament genoemd. De meeste textiele kunststoffen van nu bestaan uit een combinatie van een natuurlijk product (bijvoorbeeld olie, hout of bamboe) en een heftig chemisch goedje. Als je alleen naar dit proces kijkt is het iets dat ontzag afdwingt: wow je hebt bamboe, dat breek je in kleine stukjes, je voegt er een chemisch goedje aan toe en dan kun je daar een draad, pardon een filament uit maken. Alleen: hoe ruimen we de restanten van het chemisch proces op? We begrijpen: opruimen kost geld, maar vooral: we kunnen de vervuiling niet letterlijk noch figuurlijk oplossen. De vervuiling blijft altijd ergens bestaan. En zo wentelen we de nadelen af op de (arme) mensen rond de fabriek die decennialang niet zullen kunnen wonen op de vervuilde grond. Om te zwijgen van de lucht die vervuilt tijdens het productieproces. Om te zwijgen van de watervervuiling.

B 3 VERSCHIJNINGSVORM VAN EEN DRAAD

Tekening van De Draad, door Anni Albers. Uit onze tijd is zij de eerste textielkunstenares die erkenning kreeg vanuit de moderne-kunst-wereld. Zij was de eerste textielkunstenares die een tentoonstelling kreeg in het MoMa in New York. In 2022-2023 was een tentoonstelling met haar werk te zien in het Kunstmuseum in Den Haag. Er verscheen een mooie catalogus bij die tentoonstelling.

Een draad is een wonderlijk fenomeen.

Overigens: als ik op Wikipedia de zoekterm ‘draad’ invul (heb ik niet ooit eens gelezen dat een draad van textiel wordt beschouwd als eendimensionaal?) dan handelen de antwoorden op de eerste pagina over: een 332 kilometer lange Dodendraad, over de draad in hout, over schroefdraad, over installatiedraad, over ijzerdraad, over kleuren van de draad, en als laatste koperdraad. Voor de draad van textiel moet ik verder zoeken. En dan vind ik: inderdaad een draad wordt gezien als eendimensionaal. Alleen de lengte telt. Echt? Nee…:-)… er bestaat draad van textiel van millimeters doorsnee: dat is toch een breedte, een hoogte, een diameter? Waarom worden die aspecten genegeerd? Om te zwijgen van alle vormen die een draad kan aannemen: ik kan er lussen mee maken, knopen in leggen. Van iets eendimensionaals in een handomdraai iets driedimensionaals maken? Ik dacht dat dat moeilijk was.

Weinig voorwerpen zijn zo vorm-onvast als een draad: hij kan kronkelen, buigen. Hij raakt snel in de war. Hij kan niet staan. Maar als ik de draad verzwaar, dan biedt hij hangend de loodrechte verticale lijn. Als ik wat dan ook wil bouwen heb ik een draad nodig.

Hoe ziet een draad er uit? Glad of pluizig, dik of dun, glanzend of dof, sterk of zwak, regelmatig of onregelmatig. En dat alles in combinatie met het materiaal waarvan het gemaakt is: van natuurlijke vezels zoals vlas, hennep, brandnetels of katoen. Van dierlijke vezels zoals de wol van een schaap, een geit, een ander harig dier. Van eiwitten zoals zijde. Overigens bestaat wol chemisch gezien zo goed als uit hetzelfde eiwit als zijde. Ik laat in deze alinea alle synthetische draden even voor wat ze zijn. In de commercie krijgen die al voldoende aandacht.

C. DE BETEKENIS, HET BELANG VAN TEXTIEL

Het vervaardigen van stoffen uit vezels, textiel genaamd is belangrijk en dat is altijd zo geweest. Het hebben van kleding, een beschermende deken, zelfs een knuffel zijn voorwaarden voor ons mensen om te kunnen leven. We zijn immers zoogdieren zonder vacht en we hebben een dunne huid.

Ik schrijf over de rol die textiel speelde en speelt in de economie, in de ontwikkeling van techniek. Verbeeld ik mij dat bij die rol weinig wordt stilgestaan? Verbeeld ik mij dat het dragen van textiel wordt gezien als een vanzelfsprekend verlengstuk van ons lijf? Ik krijg de indruk dat over het vervaardigen van textiel zelfs wel eens neerbuigend wordt gesproken. Ik krijg de indruk dat dermate weinig bekend is over textiel, dat mensen die zeer deskundig zijn op welk gebied dan ook, weinig kunnen vertellen over het belang, het interessante van textiel.

Ik noem drie voorbeelden. In september ’22 overleed de Britse vorstin. De begrafenis was wereldwijd te volgen op t.v.. Ik ga de superlatieven van de royalty-watchers niet herhalen. U kent ze wel. Wat ik zelf zag was: het is eigenlijk een choreografie, een voorgeschreven trage (ca)dans, waarin een kleine stoet zich langzaam, stap voor stap verplaatst. De duizenden toeschouwers staan stil; ze vormen aan twee kanten een soort donkerbruine haag. Ze wijzen als het ware de weg. Het uiterlijk van de ‘dansers’ in de stoet is onderscheidend: zij dragen kostuums in felle kleuren, uniformen in dit geval. Over die uniformen wordt door de commentatoren met geen woord gesproken. Wat is de eeuwenoude symboliek ervan? Welke geschiedenis wordt hiermee verteld? Hoe oud zijn ze? Wie maakte ze? Van wat voor stof is het gemaakt? Het tweede voorbeeld: een dag later was het Prinsjesdag in Den Haag. De choreografie is volstrekt vergelijkbaar met de Engelse begrafenis: voorgeschreven, trage verplaatsingen. Onderscheidend zijn de uniformen van de militairen, de ruiters. De commentator weet te vertellen dat deze uniformen nieuw zijn. Ze zijn 200 gram lichter zijn dan de oude. Hmm….is dat alles? Waarom imiteerde men de oude uniformen? Of deed men dat niet? Wie maakte die uniformen? Hoeveel tijd kostte dat? Is dat een vak apart? Misschien ben ik wel de enige die zich dat afvraagt. En als laatste voorbeeld: in november ’22 wordt het WK Voetbal gehouden. Aan het begin van iedere wedstrijd wordt een meer dan levensgrote vlag getoond: met een oppervlakte van tientallen vierkante meters. Er zijn tientallen mensen nodig om die vlag strak te trekken. Indien het vlaggen betreft met een driekleur kan ik me nog wel voorstellen hoe je dat weeft en naait. Maar er lijken ook vlaggen te zijn zonder naad. Hoe kan je zo’n groot stuk textiel naadloos weven? Of vergis ik me: is het gedrukt op kunststof? Het speelt zich af in Qatar. Het mag daar iets kosten: misschien is het wel gemaakt van zijde? Hoe weven ze dat? Misschien is het niet interessant, maar dat wil ik graag kunnen beoordelen.

CI TEXTIEL, KLEDINGSTUKKEN IN ONZE TAAL, IN UITDRUKKINGEN

De waarde van textiel blijkt natuurlijk ook uit onze kleding. Waar zouden we zijn zonder kleding? Zal het belang ervan ook af te lezen zijn in uitdrukkingen in onze taal?

Als eerste bedenk ik: houtjes-touwtjes verbinding. Misschien geen onwrikbaar verband, maar die los-vastheid is vaak nét datgene wat je nodig hebt: even snel je jas aan-en-uit. Maar in onze taal staat een houtjes-touwtjesverbinding als begrip voor iets ongewensts; het geeft dan geen kwaliteit. Als iets naadloos overgaat in iets anders: dan wordt dat als positief gezien. De naad (gevolg van de handeling met naald en draad die nodig is om twee stukken stevig aan elkaar te verbinden) wordt dus niet als positief gezien. het moet naadloos zijn. Ik glimlach bij woorden als soepjurk, slijmjurk, geitenwollen sok of zijden sok; uitdrukkingen als in je hemd staan, een held op sokken of Jan met de pet of ik kan er met mijn pet niet bij. Een muts dan…toch een sympathiek kledingstuk waar je gemak van kunt hebben bij kou. Maar als iemand ‘muts’ wordt genoemd.

Eind september 2022 is een item in het nieuws dat onze Kamervoorzitter mogelijk niet capabel is voor haar ambt. Bij een nieuwssite staat als commentaar: ‘ze zit erbij alsof ze ieder moment een breiwerkje uit haar tas kan halen’. De ingezonden brief krijgt aardig wat likes; blijkbaar staat het begrip breiwerkje symbool voor brevet van onvermogen. En eind oktober ’22 wordt in het programma Buitenhof een filmpje getoond. Een Oekraïense vrouw geeft aan een Russische soldaat enkele zonnepitten. Ze bijt hem toe: ‘Stop die in je zak, dan groeit er straks nog iets moois uit je. ‘ De journalist en de presentator zijn het eens: dit is moedig gedrag. Petje af. De journalist zegt: ‘Vroeger voelde ik me niet zo verbonden met Oekraïne. Ik vond het een land van folklore en borduursels.’ Ik glimlach: blijkbaar zijn borduursels net zo slechts voor je imago als breiwerkjes. Niet veel later komt een zangkoor uit Oekraine op t.v.. Zoals een koor betaamt: ze dragen uniforme kleding: folkloristische. De dirigent een soort kaftan met borduursels: kruissteekjes. Ook ik voel dan hetzelfde als de journalist: hier hoor ik niet bij. Maar dat is natuurlijk wat welk uniform dan ook wil zeggen: zonder uniform ben je buitenstaander, je hoort zeker niet bij de groep van de drager.

Ik wilde het dus eigenlijk niet over mode hebben, maar nu toch even wel: als je meegaat met de mode, dan geef je daarmee aan dat je bij je tijd, bij je omgeving wil horen. De boodschap die je uitdraagt – wellicht zonder het te willen – als je borduursels van je moeder draagt: ik heb een moeder die voor mij zorgt; ik hoor bij haar en daarmee bij haar land.

Ik ken slechts één positieve uitdrukking over een kledingstuk en die luidt van de hoed en de rand weten. Het zal toeval zijn dat de hoed zolang een kledingstuk voor de man uit de gegoede klasse was, want witte boorden kwamen daar eveneens het meest voor. Maar dat laatste onderdeel van kleding wordt taalkundig gekoppeld aan criminaliteit die voorkomt bij mensen op kantoor in keurig pak.

Basistechnieken uit het werken met textiel, zoals naaien en stikken hebben ook een andere, niet positieve betekenis. Als ik wil zeggen dat ik naaien leuk vind, zal de toehoorder een glimlach niet kunnen onderdrukken. Meestal draai ik er een beetje omheen. Dan zeg ik: ‘ ik heb vanmorgen heerlijk gewerkt achter de naaimachine.’ En het woord handwerk zelf heeft ook een betekenis in een wereld waar menig huismoeder zichzelf niet wil vinden. Andere uitdrukking rond naaien is: iemand in het pak naaien. Die uitdrukking besloot ik op te zoeken: heel vermakelijk. Leest u s.v.p. zelf bij nl.taal.narkive.com. Uitdrukkingen als ‘in de luren leggen’, ‘van ’t zelfde laken een pak’ en ‘voor het lapje houden’ komen ook langs. Zeer lezenswaardig, maar waar het mij hier nu om gaat is: geen een uitdrukking heeft een positieve betekenis.

De uitdrukking schering en inslag, een duizenden jaren oude techniek uit het weven, wordt gebruikt in combinatie met een ongewenst verschijnsel. Een doekje voor het bloeden: zo’n doekje noemen we verband en is onmisbaar in een (zieken)huis, maar maatschappelijk heeft dat onmisbare verband de betekenis gekregen van een aardigheidje dat fundamenteel niets aan een echte misstand verhelpt.

En als laatste: de zelfkant. Een geweven lap stof rafelt niet aan de zijkant, want de horizontale draad (de inslag) loop door naar de volgende regel. Taalkundig is het woord gaan betekenen: de rand van de maatschappij. Sara Vrugt zegt hierover in het Leidsch Dagblad van 12 mei 2022: ‘Laken was een heel zware en dikke stof. Dat werd vanaf 1570 op andere plaatsen goedkoper geproduceerd. Saai is een minder bekende stofsoort dan Leids laken. Het was min of meer de opvolger van het Middeleeuwse Leids laken. De stof was wat eenvoudiger, vandaar de naam saai. De zelfkant is de zijkant van de stof, maar verwijst ook naar de zijkant van de samenleving. De goedkope arbeidskrachten werden uit de onderste klassen van de maatschappij geworven. Het woord ‘saai’ komt van sajet; dat is een korte wolvezel, niet de beste kwaliteit dus, die sterk moest worden gedraaid (getwist) om tot garen te kunnen worden gesponnen.

En dan hebben we natuurlijk nog, heel hoopvol, ‘De kleren van de keizer’. Hoe deftig is een keizer? Maar…:-)…met de uitdrukking wordt bedoeld dat iemand in zijn nakie loopt of eventueel: met veel poeha iets laat zien dat niets voorstelt.

Als ik langer nadenk kom ik uit bij voortborduren, uitpluizen en verweven zijn; die woorden zijn niet negatief. En ook wel: daar valt niet aan te tornen. Tornen is de techniek om de draad in een naad kapot te snijden, zodat de oorspronkelijk twee delen weer los van elkaar komen. Een onwrikbare afspraak, daar valt niet aan te tornen.

CII Kleren maken de man – kleding in de late Middeleeuwen

Dan schiet me toch nog een belangrijke uitdrukking te binnen over kleding: kleren maken de man. Ik schat in dat het betekent dat het voor een man in het maatschappelijke leven belangrijk is (was?) hoe hij eruit ziet. Ik schat zelf in dat het vanaf midden jaren zeventig, afhankelijk van de kringen waarin je wilde verkeren al heel verdacht kon zijn wanneer je jezelf keurig in het pak stak om bijvoorbeeld naar je werk te gaan.

Tot mijn verrassing stamt de uitdrukking uit de Middeleeuwen. In de zestiende eeuw zei men: ‘de cleederen maken den man, diese heeft doese aen’. Het betekent: ‘de kleren maken de man, wie ze heeft kan ze maar beter aandoen’. De moderne betekenis luidt: verzorgde kleren doen iemand op zijn best uitkomen, en omgekeerd: naar zijn kleren wordt men beoordeeld en geacht door wie men als persoon niet gekend wordt. Het is een uitdrukking die al vanaf de Romeinen bekend is: vestis virum reddit.

Er schiet me een anekdote te binnen. In mijn familie was mijn vader min of meer de enige die in het pak naar zijn werk ging: colbert, stropdas, wit overhemd. De oudste zus van mijn moeder was niet gewend hem zo te zien, dus toen ze hem eens in zijn keurige outfit zag thuiskomen, zei ze: ‘Zo Jan, als heer vermomd?” Dat bleef sedertdien een familie-uitdrukking als iemand op zijn paasbest ergens naartoe ging, dan ging hij ‘als heer vermomd’.

Deze manier van zeggen is wel verwant aan ‘aangekleed gaat uit’. Iemand, niet afkomstig uit de hoge, sociale klasse doet zeer zijn (haar? 🙂 best om zo keurig mogelijk voor de dag te komen. En dan komt als goedmoedig commentaar: ‘Zo…aangekleed gaat uit?’

De zoekmachine wijst mij de weg naar een afstudeeronderzoek ‘Kleren maken de man’. De scriptie beschrijft de kledingstijl in de late Middeleeuwen van de rijke adellijke bovenlaag in de samenleving, die niet hoefde te werken. Ook wordt verteld dat officiële kledingvoorschriften bestonden die golden bijvoorbeeld voor boeren: zij mochten alleen grijze of zwarte kleding dragen. Rangen, standen en kleding zijn eeuwenlang nauw met elkaar verweven geweest en voor een deel zijn ze dat nog. Literatuur: G.A.M.J.J. van der Pol – Universiteit Utrecht – afstudeeronderzoek juni 2011

Voor nu concludeer ik: uit onze taal blijkt dat kledingstukken werden geassocieerd met de rang of klasse waar je toe behoort/behoorde of wenst(e) te behoren.

C III Maar dan de draad, het garen

Gelukkig: de basis van de textiele sector wordt gevormd door ‘de draad’; synoniem van dat woord is garen. De betekenis, het belang van de draad wordt minder in twijfel getrokken dan de daaruit vervaardigde kleding. De Vlaamse ontwerper Christian Wijnants in De Volkskrant van 10 dec. 2022: ‘Het fascinerende van breiwerk is dat je van één draad een hele creatie kunt maken, het is bijna toveren. Je kunt zelfs driedimensionaal breien, shapings maken en alle mogelijk patronen: jacquard, intarsia, ottoman. En het eindproduct is ook al zo aangenaam: een breisel is feelgood en tactiel. Om meer positieve beschrijvingen te vinden die recht doen aan het belang van de draad….daarvoor gaan we naar de wereld van de mythologie, de godenleer. In vele (bijvoorbeeld Griekse, Romeinse, Albanese, Noordse, Arabische, Etruskische) mythologieën komen godinnen voor die het levenslot bepaalden. Het zijn de schikgodinnen. In iedere mythologie hebben ze andere namen: zie Wikipedia Schikgodinnen. De drie schikgodinnen bepalen het lot: zowel van de goden als mensen. De eerste schikgodin spint de draad, de levensdraad. De tweede schikgodin meet de draad en daarmee beslist ze hoe lang iemand te leven heeft. En de derde schikgodin knipt de draad door, hetgeen het einde van het leven betekent.

Feeën in Europese sprookjes zoals Doornroosje, waar drie feeën een belangrijke voorspellende rol vervullen zijn wellicht een afgeleide van de schikgodinnen. En iedereen kent wel het verhaal van de draad van Ariadne. Een belangrijk man uit het koningshuis van Kreta werd behoed voor verdwalen in het doolhof omdat hij een bolletje met draad kon afwikkelen. We begrijpen: het terugvinden van de weg, is niet moeilijk wanneer je eenvoudigweg de draad (in dit geval van Ariadne) kunt volgen.

Uitdrukkingen en gezegdes met de woorden ‘de draad’ zijn veelal positief. Iets tot op de draad uitzoeken; dan staat dat synoniem voor een onderzoek dat degelijk is. Als iemand de draad kwijt is, dan gunt iedereen dat de zoekende snel de (rode) draad weer kan vinden. Als iets of iemand aan een zijden draadje hangt, dan is het weliswaar spannend hoe het gaat aflopen, maar impliciet wordt er ook mee gezegd: één zijden draad kan het verschil zijn tussen alles of niets. Iets dat tot op de draad versleten is, duidt vaak op intensief gebruik. Iemand die ergens garen bij spint, die heeft goed verdient. De eindjes aan elkaar kunnen knopen is essentieel voor wie zich staande moet houden in de maatschappij.

En als laatste voorbeelden van de rol die draad, garen speelt in het leven buiten de fourniturenwinkel: langdradig en tegendraads.

Misschien komt langdradig van naaien met een lange draad. U ziet het voor zich: de arm moet dan ver uitrekken om de draad aan te trekken. Dat duurt lang. Wie vroeger naaide met zo’n lange arm werd een luie naaister genoemd, want het zou tijd in beslag nemen. En tegendraads: meestal is het geen compliment wanneer een kind of een volwassene als tegendraads of tegen de draad in wordt getypeerd.

C IV HOE GING DAT VROEGER…DE DRAAD?

Er zijn veel soorten vroeger. Het vroeger uit mijn jeugd, zelfs het vroeger uit de tijd van mijn oma’s is al een soort moderne tijd in de geschiedenis van textiel. Niemand van ons hoefde zelf wol te spinnen om daarna stoffen te gaan weven of te breien.

Ik groeide in de jaren vijftig op in een Limburgs dorp, met een kerk, een bakker, enkele kruideniers, een fourniturenwinkel en veel cafés.

Als mijn moeder een trui wilde breien, dan had ze natuurlijk naar het naburig stadje kunnen fietsen; daar was een wolwinkel. Ik denk dat mijn moeder dat niet deed, omdat ze zich onzeker voelde: hoeveel wol zou je nodig hebben? hoe zal het breiwerk eruit gaan zien? Want voordat je aan een trui of vest begon…het was altijd een investering…dit ene model in die ene maat…het was altijd een nieuw project. Mijn moeder was zich daar zeer van bewust. Pas achteraf, als het was gelukt, dan was het leuk.

Het probleem werd opgelost, beter gezegd: er ging een wereld met oplossingen open wanneer de catalogus van de 3 Suisses op de mat viel. 3SUISSES was een postorderbedrijf, waar je knotten wol en brei- en haaknaalden kon kopen, maar door de catalogus was het meer dan dat. Modellen (kinderen, vrouwen, mannen) toonden in de catalogus de kledingstukken die gebreid, gehaakt konden worden. De beschrijvingen stonden er bij. Voor een buitenstaander was dat hogere wiskunde, maar alle (buur)vrouwen hielpen elkaar met veronderstellingen en oplossingen, wanneer er iets onbegrijpelijks stond. Het bedrijf zal professioneel hebben gewerkt met fotografen en ontwerpers en brei(st)ers in dienst hebben gehad.

Mijn moeder keek uit naar de catalogus, want het was best een sport om een rijtje kinderen begin september weer in een nieuwe outfit naar school, kerk of familiefeest te laten gaan. Sociaal aanzien was vroeger veel belangrijker dan nu. Dat iedereen arm was, daar werd niet over gesproken want nette armoede diende onzichtbaar te blijven. Bij die zichtbaarheid lag de ondergrens. Scheuren in kleding, ongewassen kleren, kleding die bovendien niet paste vielen in de categorie ‘zichtbare armoede’ en die categorie was taboe. Het devies was: schoon en heel.

Het aardige van de catalogus was ook: de uitvoeringen op de afbeeldingen vormden een basis voor een gesprek. Zal ik de mouwen langer/korter maken? Mijn moeder kon vragen: ‘Heb je die trui liever in een andere kleur?’ Want er zit een ongemakkelijke kant aan het moeten dragen van kleren die door iemand anders ‘met liefde’ voor jou zijn gemaakt. Als de ontvanger die kleding eigenlijk niet mooi vindt, dan ontstaat al snel wrevel. De maker voelt zich snel tekort gedaan: die voelt onvrede over de tijd die het kost om zoiets te maken en hoe ondankbaar: nu wordt het zo goed als niet of met tegenzin gedragen.

Voor mij was het meeste magische uit de catalogus van de 3 Suisses: de stalenkaartjes waarmee draadjes, gesorteerd op kleur een voor een geplakt zaten tussen twee strookjes wit papier. In één catalogus konden makkelijk vijftien van die staalkaartjes zitten. Ik begreep niet hoe ze het konden maken: met de hand dat leek me geen doen. Maar hoe een machine dat voor elkaar kan krijgen…..het was toverachtig. Je kon de korte draadjes voelen: met de toppen van je vingers voelde je hoe zacht of hoe prikkend de draad was.

Begin 2022 maakte ik twee wandkleden over het productieproces van linnen en over hoe we vervreemd zijn geraakt van het zelf maken van stoffen. Ik maakte van linnen een voorbeeld van de strook papier die in de 3 Suissesboeken te vinden was met voorbeelden van de verschillende gekleurde draadjes.

En garen? Als mijn moeder een strengetje borduurzijde, een klosje garen voor de naaimachine of wol om sokken te stoppen nodig had dan was dat eenvoudig te koop in een fourniturenwinkeltje in het dorp. Eigenlijk was de winkel gewoon een woonhuis, waarvan één kamer was ingericht met allemaal kleine kaartjes met wol, bolletjes katoen. In het naburige stadje waren minstens drie winkels met fournituren, dat wil zeggen: het waren grote stoffenwinkels met in een hoek alle denkbare benodigdheden om wat dan ook aan kleding te herstellen of te verfraaien.

Roger Raveel – belangrijk modern Vlaams kunstschilder. Hij heeft een eigen museum in Machelen aan de Leie.

De titel van het werk is ‘Tafel met bloemetje’, gemaakt in 1950-’51

Zelf ben ik van mening dat de lap stof, de schaar en de bolletjes wol ook wel genoemd mogen worden in de titel. Maar wat maakt het uit: gewoon een heel mooi schilderij.

Nog even over de trots van de maaksters van onze kleding en over hun intelligentie: ik herinner me hoe trots mijn moeder was toen voor het eerst een trui met raglan mouwen was gelukt en een warm vest gebreid met de patentsteek. Die vaardigheden zullen niet veel vrouwen nog beheersen; ikzelf zeker ook niet. Als een Kamervoorzitter dit zou kunnen, zou hij/zij stijgen in mijn achting 🙂

D. ONZE VOOROUDERS/VOORMOEDERS (maart 2023)

In de inleiding schreef ik een band met mijn voormoeders te voelen, sedert ik kennis verzamel over textiel.

Ik doe mijn ogen dicht en ik zie de moeder van mijn moeder van mijn…en dat dan 1000 keer haar gezin gaande houden op dezelfde manier waarop ouders dat nu doen: drie keer per dag zorgen voor eten al dan niet op tafel, kleding voorhanden hebben die passen bij de weers- en leefomstandigheden. Ouders, al duizenden jaren in gedachten over alles wat ook nog moet gebeuren; per definitie altijd een beetje achter de feiten aanlopend…gossie, die broek is nu al te klein, jeetje, het vriest al, waar zijn de wantjes van vorig jaar. Oeps: wordt dat een deftig feest? Het baby’tje zal binnenkort wel worden geboren….

Hoe komt het dat ik nu pas die band voel?

Zou het komen omdat de kerk in mijn jeugd een rol speelde? Die weliswaar predikte dat we onze ouders dienden te eren (inderdaad niet onze voorouders :-), want die ons toch vooral voorhield de heiligen van de kerk te vereren. Werden die heiligen en natuurlijk God en zijn eigen familieleden in de plaats van onze opa’s en oma’s gezet? Want duizenden jaren geleden was er geen kerk. Indien ik me identificeer met mijn verre voorouders ligt het voor de hand om te denken: die mensen leefden zonder bijbel. Blijkbaar is het leven ook zonder bijbel de moeite waard. En dus werden onze voorouders bestempeld als heidens of barbaars. Mij werd als kind geleerd om eventuele heidenen en barbaren snel als dusdanig te bestempelen en vooral een andere kant op te kijken: de kant van de kerk. Tja: het waren mannen die domineerden in de kerk. Toch nog maar even uitleggen, want wellicht zijn er lezers die denken: maar de nonnetjes in de ziekenhuizen en scholen deden toch heel mooi en belangrijk werk. En dat is ook zeker zo, alleen: ze benutten de ruimte die nog was overgebleven door de mensen die de regels voorschreven. Van regels, van het geloof alleen, kan geen mens leven, dus de vrouwen en huisvaders deden wat nodig is om in leven te blijven: eten maken en zorgen voor kleding en zorgen voor de nieuwe generaties. Alleen…het vrouwenwerk bleef onopgemerkt. Ze werden er niet voor bedankt. Het werd niet gezien. Het was iets dat ‘gewoon’ zo was.

Het in ere houden van voorouders is iets waarvan ik wist dat het bestaat en wat ik toedichtte aan natuurvolkeren. Ik aanschouwde eens in Noord-Amerika een echte blijk van voorouderverering: een grote kleurrijke totempaal met afbeeldingen van vogels, gezichten, naast een laag, lang gemeenschapshuis. Imposant, ik keek ernaar als een toerist, buitenstaander: wow, wel echt groot ja.

Eerlijk gezegd voelde ik in mijn jeugd niet zo’n band met mijn oma’s, zelfs niet met mijn moeder. En dat ligt niet aan hen en waarschijnlijk ligt het ook niet aan mij. Wie eenmaal in de pubertijd belandt en vervolgens een volwassen taak vervult in de samenleving spiegelt zich aan de tijd.

En hoewel mijn oma’s, moeder en ik allen met naald en draad werkten, maakten we daarover geen verbinding meer met elkaar. Eén oma was al heel oud: ze stopte nog de sokken en herstelde een los naadje, de andere oma haakte spreien en breide sokken: inderdaad geitenwollen sokken. Met die dikke sokken voelde het lopen in klompen comfortabeler. Mijn oma breide zulke sokken uit het hoofd. Ze overleed ‘in het harnas’ toen ze vijfennegentig was: een nog onderhanden breiwerk met sok lag op de tafel. Ikzelf kan zo’n sok niet eens breien aan de hand van een beschrijving: alle afkortingen lijken/zijn hogere wiskunde. Dezelfde oma haakte spreien voor op bed. Ik zal er een foto van maken, want ik heb er twee van haar gekregen. U begrijpt: nooit lag er een op bed in mijn huis. Ze zijn uit de tijd.

Mijn moeder maakte kleding voor ons, haar vier kinderen. Of …bijna kan ik zeggen voor haar oudste drie kinderen. Mijn jongste broer die een nakomer is, maakte al mee dat de welvaart toenam. De kwaliteit van confectie  die te koop was, nam toe. Langzaam maar zeker was het economisch gezien niet meer nodig dat mijn moeder de kleding maakte. Bovendien werden spijkerbroeken mode. Een spijkerbroek was/is meer dan een kledingstuk. Het is een statement. En je kunt achter de naaimachine heus zelf wel een soort van uitspraak doen, alleen niet hetzelfde statement als een gekochte spijkerbroek.

Het maken van kleding werd ‘nuttige handwerken’ genoemd. Toen de welvaart in de jaren zestig toenam stapte mijn moeder over op borduren. Die producten maakte je voor de sier; ze hadden geen nut J. Een tijd lang borduurde mijn moeder merklappen na, kopieën van merklappen van rijke dames van vroeger. Uit boeken en films begrijp ik dat dit soort borduren een tijdverdrijf was voor rijke meisjes: wachtend op een geschikt geachte huwelijkskandidaat doodden de meisjes zo hun tijd en andere verlangens.                                                                 Mijn moeder maakte ook smyrna-kleedjes: kleine tapijtjes voor op de vloer. Dat was volgens mij nieuw in die tijd.

En ikzelf: ik leerde op de middelbare school: stofjes spannen om kartonnetjes heen en die dan aan elkaar maken, ik leerde smocken en daar maakten wij dan een soort van pyama van. Ik leerde macrameeën. Ik maakte sieraden van (houten) kralen. Die kralen waren in een kleine stad niet te koop. Ik kon ook kralen maken van papier. Het waren technieken waar mijn moeder vol bewondering naar keek: ‘Hoe bestaat het dat je dat kan?’ maar het was een andere wereld die geen raakvlakken meer had met háár handwerken. De tijd van mijn oma had al geen raakvlakken met de tijd van mijn moeder en toen moesten de jaren zestig nog komen.

Toch één keer wel: ik begon aan een wandkleed van kruissteekjes met het aap-noot-mies-leesplankje als afbeelding. Na twee jaar was slechts de bovenste rij met afbeeldingen af. Ik vroeg aan mijn moeder of zij het af kon maken. Het is ongelooflijk hoeveel uren er in kruissteekjes gaan zitten. En gelukkig; het wandkleed is op slaapkamertjes van (achter)kleinkinderen komen te hangen.

Het is moeilijk om kinderen op te voeden in een tijd die verandert. Je denkt als ouder dat je je eigen geleerde lessen door kunt geven, maar kinderen voelen haarfijn aan: sokken stoppen? Die vaardigheid ga ik in mijn leven niet meer nodig hebben. Sterker nog: ik prijs me volstrekt uit de markt als ik me daarop voor laat staan.

En dan de wetenschap…ik hoop dat vanuit die hoek meer waardering voor onze voorouders kan  komen.

Er is een mooi boek…de onzichtbare vrouw…volgens mij het eerste boek waarin een vrouwelijke archeoloog ruimte krijgt om te zeggen: er is altijd met een mannelijke blik gekeken naar onze voorgeschiedenis. Archeologen waren tot voor kort mannen. En wij kijken allemaal naar onze omgeving vanuit onze eigen waarden. Er zijn weinig mannelijke archeologen geweest, die bedacht hebben: hoe zouden ze dat met kleding gedaan hebben vroeger? En als ze het bedachten, dan kwamen ze uit bij huiden, een product van de jacht.

Alleen om warmte, beschutting te kunnen krijgen van een huid, dien je van die die huid een grotere lap te maken. Daar is draad voor nodig, een naaldachtig gereedschap. En behendigheid.

Nog even over mijn moeder en oma’s: hoe zeer we ook verschilden, wij zijn allen afkomstig uit de moderne tijd. De geitenwollen sokken werden gebreid met garen vanaf een bolletje wol, dat mijn oma gewoon kon kopen in de winkel. Ze hoefde die wol niet te spinnen, zoals de Romeinen, de Grieken, de Egyptenaren. Bij de Egyptenaren waren het overigens vaak mannen die sponnen.

Alle culturen, of er nu bewijzen van zijn gevonden of niet, hebben niet kunnen overleven zonder textiel. Textiel dat niet van bomen kon worden geplukt, textiel dat diende te worden gemaakt.

En zoals ik geen sokken meer zou kunnen breien zoals mijn oma, geen kruissteekjes kan maken zoals mijn moeder zo zou ik geen zijde kunnen weven als de vrouwen in China duizenden jaren geleden, zou ik geen beschermende pakken kunnen maken zoals de vrouwen in Siberië duizenden jaren geleden, waarin ze hun baby’s beschermden tegen de kou, zou ik geen zeilen kunnen vilten waarmee de Vikingen de wereld konden oversteken.

En dat ik die vaardigheden nu niet meer kan leren, dat ze er nu niet meer toe doen, betekent niet dat het dus onbelangrijk is. In hun tijd, de tijd van onze voormoeders creëerden ze een manier, voldeden ze aan een voorwaarde  om te overleven. Als zij dat niet hadden gedaan, waren ze uitgestorven en waren wij er niet geweest.

E. EN HOE WAS DAT DAN VROEGER? E I Fragmenten uit interviews en boeken.

Misschien ben ik min of meer de enige wiens moeder kleding maakte, misschien kwam het alleen voor in het zuiden van het land, misschien moest je er katholiek voor zijn? Vandaar dat ik een tijdlang opveer wanneer ik hoor of lees dat andere mensen schrijven of vertellen over kleding maken in hun jeugd. Vanzelfsprekend: er is niemand die daar een heel boek aan wijdt :-), maar in kleine zinnetjes komt het terug, in gesproken of schriftelijke interviews. Het ene fragment is gedetailleerder dan het andere, maar ik citeer graag. Het maken van kleding in de jeugd van de geïnterviewde is een onderwerp dat altijd zijdelings ter sprake komt. Nergens werd er specifiek naar gevraagd. Het zijn ervaringen, spontane getuigenissen die schrijvers, vertellers ongevraagd, spontaan delen.

In De Volkskrant worden een jaar lang honderdjarigen geïnterviewd over hun leven. Op 16 jan. ’23 vertelt de 100-jarige Bastiana Maaskant – Looije dat ze met haar kleindochter een boek over breien schreef. Ik citeer twee vragen en antwoorden, omdat ze zo goed passen in het huidige duurzaamheidsthema. Vraag van Marjon Bolwijn: ‘Breien is nu een hobby, maar was vroeger vooral noodzaak toch?’ ‘In mijn jeugd was er amper geld om kleding te kopen en daarom maakte je alles zelf. Alleen met Pasen kregen we een nieuwe jas en schoenen.’

Vervolg interview: ‘Breien leerde je van je moeder, oma of een tante en in de eerste klas lagere school. Ik was er handig in en maakte ook kleding voor mijn moeder en zus, en later voor mijn eigen gezin. In mijn tijd gingen mensen veel zuiniger om met kleding. Gaten in broeken, truien en sokken werden gerepareerd. Een versleten jas van mijn man keerde ik binnenstebuiten, de binnenkant werd de buitenkant.’

Het schilderij is gemaakt door Dee Nickerson

Interviewster: nu ik u zo hoor schaam ik mij diep dat ik sokken met een gat weggooi. ‘Waarom zou je een kledingstuk weggooien als het te repareren is.’ ‘Als ik geen breiwerk onderhanden heb, word ik onrustig.’

In november ’22 verschijnt een boek van Suzanna Jansen ‘De Omwenteling’. De ondertitel luidt: de eeuw van de vrouw. Zij beschrijft hoe de gemiddelde werkweek van huisvrouwen in de vijftiger jaren meer dan zestig uur bedroeg. Waarbij de onderzoekers het volgende voorbehoud maakten: moeders met kinderen onder de twee jaar waren uitgesloten van het onderzoek (want dan zou zichtbaar worden dat het aantal werkuren alleen bereikt kon worden door ook ’s nachts te werken) en…alles wat langer dan een half uur duurde werd niet meegeteld. Dat was zogenaamd omdat het dan als ‘hobby’ werd gezien. Suzanna Jansen is te horen in de podcast van ‘Nooit meer slapen’ (19 nov. ’23). Ze vertelt: ‘Een moeder in een huisgezin had de zorg voor de vier K’s: kerk, kinderen, koken/keuken en kleding.’ De interviewster veronderstelt dat kleding wel min of meer een luxe bezigheid zal zijn. Ze associeert kleding met ‘shoppen’. Maar de schrijfster zegt: ‘Nee, kleding máken.’

In De Volkskrant van 21 november ’22 staat een interview met een mevrouw die dit jaar 100 jaar is geworden. Ze vertelt over hoe het was toen ze weduwe werd op 53-jarige leeftijd. Ze moest buitenshuis werken in de huishouding. ‘Elke week breide ik een trui voor de kinderen en ik zat vaak nog tot in de nacht kleding te maken.’ En op 9 januari ’23 staat in dezelfde interviewreeks een gesprek met mevr. Hinke Visser. Ze vertelt over hoe arm ze was: ‘Als de kinderen op school zaten en sliepen, naaide ik kleding voor klanten, ik werkte vaak tot diep in de nacht. Ik was goed in jurken en mantels maken.’ Mevrouw Visser bleek muzikaal en werd onder andere koordirigent, die vier keer per week optrad door heel het land. ‘Toen konden we beddengoed en dekens kopen.’ en ‘Onderweg in de bus naar het theater had ik brei- en naaiwerk.

In het boek van Carine Crutzen Uit Het Zuiden beschrijft ze een kerstcadeau van haar moeder als ze zwanger is: ‘Mama heeft het hemeltje van de wieg gemaakt en lakentjes van dezelfde stof’. Uit haar tienertijd dateert de herinnering: ‘Broeken die te kort waren, maakte mama vroeger langer met een ‘vals’ stuk van andere stof, omdat ik ze dan door kon dragen.’ En ‘Kinderen op school zeiden vaak dat ik stomme kleren droeg. Ik deed dan alsof ik ze heel mooi vond, maar eigenlijk wilde ik ook gewoon kleding uit de winkel.’ ‘Mama naait zelf kleren. Voor mijn Barbie, die eigenlijk Tracey heet, maakt ze alle kleertjes. Met Sinterklaas kreeg ik ooit een hele poppengarderobe en zelfgemaakte sieraden. Soms was ik ook een soort pop voor haar, ze vond het leuk om dingen voor mij te maken. ‘Dan heb je tenminste iets wat niemand anders heeft.’ ‘Nu ik ouder ben draag ik niet meer wat mama wil, maar er hetzelfde uitzien als iedereen wil ik ook niet. Ik kies zelf wat ik mooi vind.’ En over de eerste communie: ‘Wit jurkje met zachtgele pailletten, bloemenkrans in mijn haar en zwarte lakschoenen. Mama had de jurk zelf gemaakt en er de blaadjes van haar bruidssluier in verwerkt.’

Mijn moeder maakte vrijwel al onze kleding. Maar voor de communie maakte mijn moeder een afspraak met de naaister. Ik denk dat mijn moeder zich te onzeker voelde en misschien vond ze het een vak apart: een jurk maken met voering van gladde stof en randjes en kantjes. Ik kan me uit mijn jeugd niet herinneren dat iemand uit mijn klas een opmerking maakte over de kleding die ik droeg. Iedereen had kleding die door moeder was genaaid of gehaakt of gebreid. Het verhaal van naaien tot diep in de nacht, dat ken ik. De vader van een vriendinnetje was jong overleden. De moeder naaide letterlijk dag en nacht om geld te verdienen voor haar zeven kinderen, van wie de oudste veertien jaar was.

Ook Hugo Borst beschrijft in zijn boek Ach Moedertje (lebowski 2017 op pag.42 en 51) herinneringen over de creatieve vaardigheden van zijn moeder met textiel. Hij schrijft dat zijn moeder geen slaaf was van de t.v. ‘maar voor een goed programma installeerde zij zich wel, vaak met een handwerkje. Ze heeft heel wat truien voor me gebreid.’

En het volwassen nichtje van de schrijver haalt op zolder twee ‘vintage’ barbies. De jurkjes van de poppen zijn door oma gemaakt. Het is vakwerk. ‘Het roze gebreide jurkje heeft paarlemoeren knoopjes en gehaakte zilveren spaghettibandjes. De schrijver vertelt dat een van de oma’s uit hun familie enkele generaties eerder, eind negentiende eeuw ‘voor de hoeren’ naaide.’ De betovergrootmoeder herstelde en maakte kleding voor Rotterdamse prostituees. Het nichtje vertelt: ‘als kind besefte ik niet hoe bijzonder die zelf ontworpen barbiekleertjes zijn. Nu vind ik het fantastisch dat oma dit voor mij maakte. Ik ben nog meer dingetjes tegengekomen. Een sjaal, een handtasje, een giletje, een broek – allemaal gebreid.’ Het nichtje vertelt verder: ‘Als oma vroeger aan het handwerken was, dan gaf ze mij ook breinaalden. Zo leerde ze me lange lappen breien. Insteken, doorhalen, omslaan, af laten glijden. ‘

Het nichtje: ‘ik mocht mijn wensen doorgeven via een speciaal boekje dat oma had. Daarin vroeg ze welke kleur het moest worden en welk soort kraaltjes ik leuk vond. De kleertjes werden dus op bestelling gemaakt.

Dieuwertje Blok schrijft in haar boek ‘Ondraaglijke lichtheid’ (Uitgeverij Meulenhoff – 2022) over haar moeder. Vanzelfsprekend wordt daarbij ook over oma verteld. Zij heette Stella Fontaine, dat was althans haar artiestennaam. Haar geboortenaam was Saartje Canes, die als beroep koos voor kousenbreister. Ze werd ‘een artieste’ van naam’. Op pagina 26 staat: ‘Mijn oma was in de bloei van haar carrière en had een dochtertje om mee te pronken. Ze had het kousen breien dan wel opgegeven, maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ze had nu in Henny het ideale model om zich op uit te leven. Mijn moeder werd als peuter van top tot teen in gebreide kleding gestoken.’ In het boek zijn daarvan foto’s te zien. In een overzicht aan het eind van het boek van belangrijke mensen uit het leven van de moeder staat de naam van Marie van Gasse, voor Dieuwertje ‘tante Marie’. Zij was coupeuse en breister, en vriendin van Stella. Zij maakte veel van haar theaterkleding.

Ik wist dat coupeuse, naaister beroepen waren vroeger. Ook nu bestaan ze overigens nog. Maar dat breister en kousenbreister beroepen waren, wist ik niet. Mijn oma breide tot op hoge leeftijd sokken. Dat is best een vak. Ik denk dat ik het zelf nu niet zou kunnen. Mijn oma breide de sokken uit haar hoofd. Ze wist hoe en wanneer ze de steken moest meerderen en minderen. Wellicht is er dus een moment gekomen dat machinaal gemaakte sokken de met de hand gebreide sokken uit de markt drukten.

En als laatste een boek van Tanja Heimans (Ambo Anthos 2015) Het huis met de leeuwen. Het boek gaat over de mevrouw die als kind vaak in Blijdorp kwam en die weinig decennia later daar terugkwam als echtgenote van de directeur. Ook rijke mensen hebben hun zorgen, maar de meesten van ons zullen van mening zijn dat het verhaal wordt verteld van mensen uit de gegoede laag van de samenleving. Het hoofdpersonage maakt dan ook niet zelf kleding. Maar in zinnetjes terzijde krijgen we een beeld hoe betrekkelijk rijke mensen aan hun kleding kwamen en ook war handwerken betekende in hun leven.

Blz. 23: De zestienjarige Corrie draagt ‘een mantel over haar hooggesloten jurk met pofmouwen. Een jurk die ondank haar lange benen tot de grond reikte. De huisnaaister had er een stootrand op moeten zetten om de stof tegen het straatvuil te beschermen.’ Blz. 31 De hoofdpersoon heeft bewondering voor haar oudere studerende zus. ‘Hoezeer ze het soms ook oneens kon zijn met Netty, in dit opzicht had ze bewondering voor haar. Waarom inderdaad als zoveel welgestelde meisjes na de middelbare school thuis bij moeder gaan zitten met een handwerkje tot de juiste man zich aandiende? ‘ Blz. 45: De hoofdpersoon Corrie Kuiper – De Jongh kan het goed vinden met haar schoonmoeder. want…’hoewel Corrie zich had leren bekwamen in zaken als het naaien van ondergoed en het inmaken van groente was ze blijven lezen. ‘ Blz. 57. De hoofdpersoon realiseert zich dat ze moeder en huisvrouw is. ‘Veelbelovend klonk dat niet in een tijd waarin strijdbare vrouwen ijverden voor emancipatie en kiesrecht. Zij bleef vooral passief hopen op een ontsnapping uit haar weinig uitdagende bestaan. Zittend met een breiwerkje, haar alweer opbollende buik verborgen onder een ruimvallende japon omdat je als dame niet liet zien dat je verwachtte. Mijmerend over wat had kunnen zijn. ‘ Blz. 60 wordt een idyllische scene uit het gezinsleven beschreven: De kleine Liesbeth in een rieten mand. Corrie en Koen, en het dienstmeisje met een handwerkje, zittend aan een tafel….’ Blz. 63: een bevriend kunstenaar Jan Bonebakker*) heeft een tentoonstelling: portretten van wevers en kantwerkers. ‘Bij de met pastel geportretteerde wevers zouden vooral de ogen opvallen. ‘De blikkende ogen der eenzelvigen, schreef de krant poetisch. ‘De eenzelvigen die lijden, die mee hadden willen doen met de gelukkigen doch teruggedrongen werden in de sfeer van hun noodlot. Blz. 83: ‘Is het goed als ik aan deze kant een kamer voor mezelf krijg?’ vraagt hoofdpersoon Corrie aan haar man. ‘Waarom zou je een kamer voor jezelf willen? vraagt hij. ‘Gewoon. Om van alles en nog wat doen te doen. We kunnen er bijvoorbeeld de naaimachine neerzetten.’ ‘Een naaikamer dus.’ ‘Nee, een eigen kamer, waar ik kan doen wat ik wil.’ De hoofdpersoon zal later columniste worden. Blz. 116; de scene speelt zich af in de jaren midden twintig vorige eeuw: ‘Ook thuis was de financiële rek eruit. Op het huispersoneel werd als eerste bezuinigd. Een dienstmeisje en een huisnaaister kon er nog vanaf, maar geen keukenmeid of kindermeisje meer. Blz. 149: een pleegzoon heeft geen goede kleren. Hij krijgt zolang iets van zijn pleegbroers. ‘Ze vond enigszins passende kleding die hij voorlopig aan kon, totdat de naaister nieuwe kleding voor hem had gemaakt.'(speelt zich af begin jaren dertig vorige eeuw)

*) Jan Antoine Bonebakker – geboren in Amsterdam 1889 – 1950 (Laren)

E II EN HOE WAS DAT DAN VROEGER? Onzichtbare economie.

…naaien voor de prostituees…naaien om je gezin te onderhouden… als mijn moeder naar ‘de naaister’ ging, dan was dat een mevrouw die in een gewoon huis om de hoek woonde. Míjn oma verstelde de kleding van de jongens die in het Limburgse plaatsje op kostschool zaten. Het zou me niet verbazen als onder dat verstellen en maken van kleding een onzichtbare economie schuilging. Misschien was het een economie zonder geld: ik geef jou enkele potten van mijn ingemaakte groenten en jij maakt voor mij een jurk of je helpt mij bij het maken van een kledingstuk. En ook een onzichtbaar netwerk van vrouwen die elkaar ondersteunden. Niemand had een nummer bij de kamer van koophandel: mijn oma liet haar kinderen de zware wasmand met verstelgoed dragen naar de opdrachtgever. Terug naar huis: met de kapotte kleding, een week later met de herstelde kleding. De betaling ging gewoon contant zonder boekhouding. Mijn oma hield op deze manier in de crisisjaren, toen opa geen werk kon vinden, jarenlang haar huishouden gaande.

EIII De Naaimachine

Mijn moeder had een overzichtelijke huishouden: een gasfornuis met twee pitten, een set geëmailleerde pannen om te koken, een emmer die daar qua materiaal en kleur bij paste, een harde en een zachte bezem, een stoffer en blik en een harde borstel. Ook een grote (ik schat minstens vijftig liter inhoud) zinken ‘emmer’, waar op zondagavond de witte was in werd gekookt.

Geen oven, geen telefoon, geen t.v., geen stofzuiger, geen wasmachine: het bestond nog niet…alhoewel, misschien bestond het wel, maar er was geen geld voor en dus hadden wij het niet.

Wat we wel hadden was een naaimachine.

Pas nu ik dit stukje schrijf realiseer ik me dat ik het woord machine altijd koppel aan elektriciteit of een verbrandingsmotor. Maar dat hoeft dus niet: zoals een watermolen, eigenlijk een machine, wordt aangedreven door een stromend riviertje zo werd de naaimachine van vroeger aangestuurd door menselijke kracht: terwijl werd genaaid met de handen werd de motor  door de voeten op en neer aangedreven via een trapmechanisme.

Dit verhaal dient dus eigenlijk te heten ‘de trapnaaimachine’.

Om een globale indruk te krijgen van hoe een trapnaaimachine eruit zag, volstaat bijgaande foto wel. Officieel is dit een naaimachine uit een zeilmakerij.

Geen wonder dat ik als kind gefascineerd was door het apparaat. Hoe kon zo’n op- en neergaande naald een horizontale steek maken? Hoe kon zo’n beweging van de voeten, ook op- en neer, een wiel in werking zetten?

Het was geen apparaat voor kinderen: onder andere de naald kon in je vingers terechtkomen. Desondanks, als het apparaat was uitgeklapt, probeerde ik rechte stukjes te naaien.

Want dat was nóg een wonder: als het apparaat uitgeklapt stond, dan zag het eruit als op de foto. Maar wij hadden een  machine die als deze niet gebruikt werd, naar binnen gedraaid kon worden, houten plank erover en dan was het ‘gewoon’ een tafel. Al die mechanieken (beneden trappen, een draaiende leren(?) band, een bewegend wiel aan de zijkant): ik vond het toveren.

Overigens: het moet toch te doen zijn om zo’n trapnaaimachine alsnog te produceren. Vanuit milieuoogpunt is het een subliem apparaat: kost geen fossiele energie.

E IV. OVER KAKKERS, RANGEN EN STANDEN

Een van mijn kleindochters zit in de brugklas. Ze vraagt: ‘Oma, waren er vroeger ook kakkers?’

Ik kijk op van de vraag: nooit stond ik stil bij dit onderwerp. Kon ik als kind merken dat sprake was van rangen en standen? Er flitst door me heen dat ik klasgenoten had, van wie ik wist dat de vader medisch specialist of succesvol ondernemer was. Volgens mij maakte dat in het contact onderling niet echt uit, al kwam ik nooit bij hen thuis. Er was zeker niemand in mijn klas die zich liet voorstaan op dure merkkleding. Een enkeling droeg wel eens een namaakparelkettinkje, maar zelf hoorde ik tot de groep die de release van de singles van Beatles en Stones nauwlettend volgde, dus dat het einde van het pareltijdperk in zicht kwam voelde ik glimlachend aan.

Voor mijn kleindochter denk ik hardop: volgens mij had je vroeger nog geen clubjes zoals nu. Ik zat in een klas met alleen meisjes. Er was wel degelijk sprake van een tweedeling, maar dat betrof internen (zij zaten op de kostschool bij de nonnen) en externen. Een plaats voor mij op kostschool zou voor mijn ouders onbetaalbaar zijn geweest, maar die kostschool was wel het laatste dat werd geambieerd door ons, want het was volstrekt helder: de klasgenootjes die op de kostschool zaten waren zielig met hoofdletters. Je moest vroeg opstaan, de regels waren strenger dan in welk gezin ook. Alleen al de studietijden om verplicht huiswerk te maken: ik moest er niet aan denken. Onze onderlinge gesprekken gingen vooral over proefwerken en leraren. De eerste jaren hadden we nog les van nonnen: die deden uitspraken, waar niemand van ons het mee eens kon zijn, dus de verontwaardiging daarover creëerde een band. De beweringen van de nonnen kwamen neer op: met de kennis, die de nonnen ons bijbrachten, zouden wij onze echtgenoot later van een goed advies in zijn belangrijke carrière voorzien.                                                                                              De jongerenculturen die nauwelijks tien jaar later niet meer weg te denken waren (soulkikkers en hippies) bestonden toen nog niet.  In Amsterdam had je pleiners en dijkers en in Frankrijk interessante zangers, maar Amsterdam en Frankrijk hadden vooral als overeenkomst dat ze een heel eind van Limburg af lagen.

De conclusie van het hardop denken luidt: ‘Nee in mijn jeugd had je geen kakkers. Als brugklassers, maar ook in de hogere jaren, je was eigenlijk vooral niemand. We dienden te luisteren naar ouders, leraren en kerk.

Maar de vraag van mijn kleindochter zingt na in mijn hoofd….

Nee er was geen jongerencultuur. Die was er wel (ik ging enkele malen per jaar naar een optreden van een band,) maar daar sprak ik op school niet over. Dan zou ik dienen te zeggen dat ik daar met een vriendje was en niemand sprak over vriendjes dus ik vond er de woorden niet voor.

Dan bedenk ik: in mijn klas waren wel kinderen met een soort van Engelse outfit: plooirokjes met Schotse ruit. Het was een soort overslagrok die niet kon openwaaien (stel je voor 😊), want de uiteinden werden met een speciale, grote veiligheidsspeld (maar dan anders) op zijn plaats gehouden. Er werden kniekousjes onder gedragen, die ik later kon benoemen als een soort sport-hockeykousen. En onder die kniekousen droeg men vaak leren, veterloze schoenen. Er zat een muntje op tussen twee bandjes. Pennyloafers werden ze genoemd. De discussie ging wel eens of het ‘echte’ pennyloafers waren. Zowel de rok, als de kniekousen als de schoenen: ik denk dat je ervoor naar een grote stad moest om ze te kopen. In mijn provincieplaats waren ze niet te koop.          Ik was argeloos: ik heb me nooit gerealiseerd, dat een plooirok een soort van status gaf.

Inderdaad: zo’n plooirok kon je niet op de naaimachine maken.

Nu ik denk over rangen en standen: toen ik op de basisschool zat had ik vriendinnetjes die ik wel eens mee naar huis nam. Eén keer had mijn moeder kritiek op zo’n vriendinnetje en daarmee op mij. Dat kwam: het meisje had een vest aan waar de knoopsgaten van kapot waren. Bovendien was het vestje niet schoon. Mijn moeder besprak dat met mij: het hoorde niet, want zo’n vestje kon je wassen en de knoopsgaten kon je herstellen: of je nu arm was of niet: schoon en heel diende de kleding te zijn.

Ik herinner me dat het vriendinnetjes uit een bijzonder groot gezin kwam.

In mijn eigen gezin waren we met vier kinderen. Ik schreef eerder: alle buurvrouwen en tantes: iedereen maakte kleding voor haar kinderen. Nu realiseer ik me: het woord ‘iedereen’ dient gelezen te worden als ‘iedereen in mijn sociale kring’.   En waar ik schreef ‘kleding maken dat was gewoon’; het woordje gewoon dient verstaan te worden als: dat wat ik persoonlijk hoogst individueel gewend ben, dat wat precies bij mij past.

Ik denk nu dat mensen met geld kleding kochten. Mensen die zelf kleding konden maken en die de tijd konden vinden (dat mocht gerust ’s avonds laat zijn) om daar aan te werken vormden een tweede groep; noem het middenklasse. Als je bijzonder veel kinderen had of een zeer bewerkelijk huishouden of handwerk met naald en draad was je niet geleerd dan vond je die tijd niet. Dan werd de armoede zichtbaar. En dan ging je een grens over die mijn moeder bewaakte: weinig geld oké, maar dat dient niemand te kunnen zien.

Schoon en heel, dan bleef armoede onzichtbaar. Dat was de norm.

E V. HANDWERKONDERWIJS IN DE JAREN VIJFTIG EN ZESTIG VAN DE VORIGE EEUW EN HOE HET VERDWEEN.

Voordat ik begin met enkele zakelijke feiten over handwerkonderwijs, wil ik uitspreken dat ik begrip heb voor de vele kinderen van destijds, min of meer de ouderen van nu, die met koude rillingen terugdenken aan de lessen in breien of borduren op de Lagere School. Voor het hanteren van naalden en garens, voor het aanleren van de handwerktechnieken is een goede fijne motoriek nodig en veel geduld. Het werk gaat letterlijk steekje voor steekje. Fijne motoriek en de daarbij horende technische handigheid, geduld: bij geen enkel kind van zes, acht of tien jaar zijn deze eigenschappen voldoende ontwikkeld. Ook vroeger niet. Voeg daarbij de strenge regels, eisen zelfs die aan het werk werden gesteld en iedereen zal begrijpen dat de handwerkles op school voor bijna ieder meisje (want jongens zaten op de jongensschool en daar werden geen handwerklessen gegeven, stel je voor) een wekelijkse beproeving vormde.

Zelf herinner ik mij vooral de lange rij wachtenden bij de lessenaar (die op een verhoging stond) van de juf. Want de techniek van haken of breien is dermate moeilijk dat er per definitie iets mis gaat: steek laten vallen, veel meer steken overhouden dan waarmee je startte, met je naald in het garen steken…enzovoorts. De juf moest dat zien recht te breien, dat kostte tijd, zodat zich een file vormde bij haar bureau.

Ook ikzelf heb na de Lagere School gezworen dat ik nooit meer zou breien. Toch kocht ik een jaar of tien later garen en breinaalden: er kwamen onbetaalbare truien in de mode; kleurrijk gebreid met dikke wol. Ik wist dat ik zo’n trui snel (lees: twee weken) af zou hebben. En vervolgens ontdekte ik hoe bijzonder het is wanneer je handen iets op een geautomatiseerd niveau kunnen. Alles wat je kunt, weet lijkt in je vingers te zitten. die doen het werk zelfstandig. Ik denk dat iedereen die ervaring wel kent van bijvoorbeeld fietsen: we fietsen zonder na te denken; resultaat van jarenlange oefeningen. En ons hoofd wordt dan vrij om gedachten te laten stromen.

Nogmaals: alle begrip voor mijn leeftijdgenoten die zijn afgehaakt vanwege de strenge juf, de voor een kind te moeilijke techniek.

Enfin, het handwerkonderwijs…mijn herinneringen. In het eerste tremester, van de zomervakantie tot aan Kerstmis kregen we iedere vrijdagmiddag breien. In het tweede tremester, tot Pasen, kregen we haken. In periode tot de zomervakantie leerden we borduren. Borduren beschouwde men als minder belangrijk dan breien. Met breien kon je nuttige kledingstukken maken, bijvoorbeeld een warme trui of kinderkleding. Maar borduren hoorde niet tot de ‘nuttige’ handwerken. Zoals ik later leerde: borduren is iets voor de hogere klasse: rijke meisjes die wachtten en smachtten op een geschikte huwelijkskandidaat brachten hun tijd verplicht bordurend door. En een kerkelijke variant daarop is: de begijntjes en nonnetjes borduurden de kerkelijke gewaden voor de priesters. Toch ook nuttig

Dat wij desondanks leerden borduren was omdat het werd gezien als een voorbereiding op een andere nuttige textiele vaardigheid: kleding maken, zowel nieuwe kleding naaien als kleding herstellen. Mijn moeder mopperde weleens op het moderne onderwijs uit die tijd: de school leerde mij niet hoe je sokken moest stoppen of hoe je een dun weefsel kon ‘mazen’, een soort van onzichtbaar versterken.

Mijn middelbare school heette M.M.S., een soort HAVO voor meisjes. Die school was opgezet door religieuzen: zusters Ursulinen, afkomstig uit Duitsland, speciaal om het analfabetisme in Limburg terug te dringen. U begrijpt: zeer degelijk onderwijs. Als ik nu aan leeftijdgenoten vraag tot hoelang zij handwerkonderwijs kregen dan is er vrijwel niemand die tijdens haar middelbare schooltijd nog textiele werkvormen heeft gehad. En wat daarbij een geluk was: onze handwerklerares was jonger en moderner dan wie ook. Zij leerde alle mogelijke technieken (kant/frivolité, knopen/macramé, sieraden maken) in alle denkbare toepassingen. De nonnen maakten van de techniek van het sieraden maken nog wel misbruik: er werden workshops ‘rozenkransen knopen voor de missie’ georganiseerd. Ook maar even googelen waarschijnlijk.

Geen breien, haken of borduren meer, maar wel leerde ik dat je van textiel echt alles kan maken.

Een jaar na het beëindigen van mijn middelbare school, in 1968 deed de HAVO zijn intrede. Dat betekende dat gescheiden jongens- en meisjesscholen verleden tijd werden. Handwerken, textiele werkvormen veranderde in handenarbeid. Ik vond het een uitstekend plan: nog net kreeg in het HBO lessen in klei en werken met hamer en beitel. Ik miste de textiel totaal niet.

E VI CULTUURVERANDERINGEN IN DE JAREN ZESTIG

De nonnen…..toen ik na de zomervakantie in het examenjaar naar school ging, bleken de nonnen verdwenen. Voor hun vertrek/verdwijning is nooit een reden verteld, noch uitleg gegeven. En wij, leerlingen hadden onze lesjes geleerd: vragen waren al snel brutaal. In de zomer van het vierde jaar waren klasgenoten nog naar huis gestuurd om andere kleding aan te trekken: een mouwloos blousje kon écht niet: ‘We sein hier nicht op het schtrand.’ ‘Die blouse is door mijn moeder gemaakt.’ was het antwoord van de klasgenoot. De thuiscultuur liep vóór op de schoolcultuur of religieuze cultuur, wat in Limburg lang synoniem was. Toen niet meer dus.

Wat door de nonnen ook echt niet werd toegestaan was het dragen van een lange broek. De reden werd niet omfloerst gegeven: onze lichaamsvormen waren in een broek meer zichtbaar dan in een rok of jurk. Punt.

Er voltrokken zich geen grote veranderingen in die tijd: vaders werkten buitenshuis, moeders deden huishouding en de was en maakten kleding. Toch zie ik terugkijkend éénmalige gebeurtenisjes. Ze lijken niets te betekenen. Maar met de kennis van nu weet ik dat zo’n eenmalig voorval zich alleen kan voordoen omdat het in verband staat met grotere maatschappelijke ontwikkelingen.

Tot dan toe keek mijn moeder nooit naar kleding uit winkels: die was te duur en de kwaliteit was niet goed. Na een enkele keer dragen scheurden naden uit. Ik weet niet of dat echt zo was of dat mijn moeder het enkel zei. Maar plotseling mocht ik, ik zal veertien jaar zijn geweest, met mijn moeder naar een modeshow, die werd georganiseerd door een plaatselijke kledingwinkel. Lang niet alles kon mijn goedkeuring wegdragen en mijn moeder vond vrijwel alles te duur, maar toch…er werd één jurk geshowd die ik heel leuk vond en die niet duur was…ik mocht ‘m kopen…en sindsdien keken zowel mijn moeder als ik wat er in de rekken van de kledingwinkels hing. Er kwam een uitbreiding van mogelijke antwoorden op de vraag ‘welke kleren draag ik komende winter? Niet alles hoefde zelf te worden gemaakt of vermaakt.

Dat mijn moeder naar een modeshow ging, zegt natuurlijk ook iets over het welvaartsniveau. We waren niet rijk, in een Limburgs gehucht was niemand rijk, maar niet ieder dubbeltje hoefde te worden omgedraaid of gespaard. Er viel al te kiezen: waar geef ik mijn geld aan uit? En de norm voor ‘kan dit nog?’ werd hoger: nee, die schoenen zijn echt te klein of te oud.

De jurk die ik mocht kopen (voor de zondag vanzelfsprekend) viel niet na één keer dragen uit elkaar. Blijkbaar was de kwaliteit van het naaiwerk in de naaiateliers verbeterd.

Ik had het al over de broeken voor vrouwen…die deden hun intrede en maakten een opmars door. Het maken van een broek was/is een vak apart. Een broek maken is een stuk moeilijker dan een rok of jurk maken. Bovendien: je deed een uitspraak met het dragen van een broek. Je toonde je zelfbewust, misschien wel geëmancipeerd. Dan diende dat kledingstuk wel goed te passen, het moest je staan. Dat kun je bij een nog zelf te maken kledingstuk moeilijk inschatten. Het vraagt een investering van uren en uren, zonder dat je weet of het zich financieel terugverdient. Dus het was veiliger om een broek te kopen.

En bij die broek kwamen T-shirts in de mode. Het stof van een T-shirt is eigenlijk gebreid: het heet tricot en het valt heel soepel en is rekbaar. Die elasticiteit was voor de naaimachines van toen moeilijk om mee om te gaan. Een heel moderne naaimachine had een zigzagmogelijkheid, maar de lockmachines lieten voor een gewoon gezin nog decennia op zich wachten. Bovendien waren T-shirts niet duur en eigenlijk past een T-shirt altijd: ook als het te strak zit kan dat heel aantrekkelijk zijn.

G. ETYMOLOGISCHE EN INHOUDELIJKE RELATIES TUSSEN TECHNIEK, TEXTIEL, TEKST EN PAPIER, NAALD EN PEN

Etymologisch stamt het woord tekst, in alle West-Europese talen, af van het Latijnse woord texere, dat weven of weefsel betekent. Het woord tekst is via het Frans en ook rechtsstreeks via het Latijn ontleend aan textus dat ‘stijl of structuur van een werk’ betekent. Het is in de verte verwant aan het Griekse tékhne, dat ‘kunst, vaardigheid’ betekent. De tekst als weefsel. Ook ons woord textuur is afgeleid van het Latijnse texere.

Er bestaat dus een dermate sterke historische relatie tussen weefsel en tekst, dat er in oorsprong slechts één woord voor was.

In het Openlucht Museum in Arnhem kun je zien hoe papier, gemaakt van katoenen lompen eigenlijk bestaat uit vezels die in elkaar grijpen. Of papier nu van hout of van katoen is gemaakt, of een lap stof van vlas of van (brand)netel is gemaakt: scheikundig gezien hebben ze cellulose als basis. De celwand van een plant bestaat uit cellulose en cellulose is de (natuurlijke) basis van zeer veel producten. Cellulose kennen we misschien beter als pulp.

Het mooie, oude geschepte papier met katoen als basis is dus eigenlijk een equivalent van vilt. Alleen vilt is van wol; ook daar zijn de – langere – vezels zo met elkaar verweven dat een nieuwe stof ontstaat. Je kunt aan het eindproduct niet meer zien uit welke grondstof het is opgebouwd. Het woord papier komt van papyrus uit Egypte. Dat weten we allemaal wel. Ik dacht: als tekst en weefsel etymologisch dezelfde afkomst hebben, dan delen ze mogelijk ook praktisch dezelfde geschiedenis. Dat blijkt zo te zijn.

“In de Egyptische oudheid gebruikte men papyrus: men sloeg de stengels van riet dat langs de Nijl groeide plat, waardoor er rafels (vezels) ontstonden waar men vervolgens matjes van vlocht; na het drogen werd dit gladgeschuurd en kon men hier op schrijven. In het droge woestijnzand van Egypte zijn nog veel beschreven papyrusrollen (boekrollen van papyrus) bewaard gebleven, in tegenstelling tot in het vochtiger Europa waar vrijwel alle papyrusrollen vergaan zijn in de loop der tijden.’ Papyrus is dus gemaakt van geweven vezels van riet.

Gedeelte van een manuscript op papyrus – bron Wikipedia papyrus – boekrol. De geweven structuur van het papier/riet is goed te zien.

Mooi dat geschreven teksten en weefsel en papier zo’n sterke historische band hebben. In onze wereld zijn boeken en papier nog wel verwant, maar weefsels van textiel kun je niet in de boekwinkel terecht.

De analogieën, verwantschap tussen tekst en textiel zien we tot de dag van vandaag terug in de taal: een lap stof, een lap tekst. Zowel weefwerk als schrijfwerk komen regel voor regel tot stand. Zowel in een schrijfwerk, ook als het is getypt, zit een zichtbare structuur, vergelijkbaar met een weefwerk. Indien één draadje stuk is, komt er een gat; indien één woord mist, loopt de tekst niet meer soepel of er ontstaat een niet bedoelde betekenis. Ik zie nog een overeenkomst tussen papier en textiel: beiden materialen mag je tweedimensionaal noemen: ze hebben lengte en breedte. De dikte lijkt verwaarloosbaar. Maar…hoe ‘makkelijk’ (want het is een hele kunst) is het om beide materialen om te toveren tot een driedimensionale vorm? Door papier te vouwen, denk aan het Japanse origami, ontstaan driedimensionale vormen. Plooien maken in lappen stof is het equivalent van vouwen. Kleding maken kan ik ook definiëren als uit tweedimensionaal basismateriaal een driedimensionaal werk maken. Het origami vouwen en het maken van kleding is een techniek, een handigheid. Stapsgewijs werkt de maker naar het eindresultaat. Er zitten bijzonder veel tussenfasen in, waarbij een buitenstaander zich vaak zal afvragen: wat moet dit worden? En zitten er analogieën tussen een naald en een pen? De vorm van beide gereedschappen is dun en langwerpig. Zowel een naald als een pen hebben een punt. In beiden zit een opening: hetzij om de inkt door te laten stromen, hetzij om de draad doorheen te halen. De gereedschappen naald en pen brengen in hun eentje niets tot stand. De naald heeft een draad nodig en de pen heeft inkt nodig. Een draad en inkt: vormloze, functionele producten waar we bijzonder fijne lijntjes mee kunnen maken. De lijn in een verhaal, de lijn in een tekening, schilderij, de lijnen van draad in een weefwerk: zonder lijn zijn we de draad kwijt.

En wat ik ook fascinerend vind: de techniek die nodig is om te schrijven en om te naaien is eigenlijk hetzelfde: wie wil schrijven of naaien dient te beschikken over een goede fijne motoriek. Het is werk dat tot stand komt dank zij een goed gevoel in de toppen van onze vingers. Met de duim en de wijsvinger dienen we de beweging van een pincet na te kunnen bootsen. Zowel bij schrijven als bij naaien ondersteunt de middelvinger de pincetgreep. (Als ik dit schrijf realiseer ik me: oma vertelt. Ik kan zien aan de jonge kinderen om mij heen dat de pincetgreep bij het schrijven niet door iedereen meer wordt beheerst.)

Hoe meer ik er over nadenk hoe meer analogieën ik ontdek: een naald en een pen worden in de taal eigenlijk door elkaar gebruikt: we schrijven met een pen, maar het woord breinaald kan moeiteloos worden ingeruild voor breipen. Ik hoor mijn oma zeggen: ‘Ik heb de nieuwe sokken al op de pen staan. ‘ Etsen doen we met een naald. Het uiteinde van zowel een naald als een pen noemen we een punt.

Wel grappig, of is merkwaardig een beter woord, dat er een begrensd vakgebied is ontstaan rond papier en een ander afgebakend gebied rond textiel. Er zijn aparte winkels, deskundigen en musea voor. Er zit een hiërarchie in de materialen: iets wat op papier staat wordt belangrijker gevonden dan iets wat op een lapje stof aan de muur hangt. Iets wat is geschreven heeft alleen al om die reden meer impact dan welk borduursel ook. 🙂 Iemand die een mooi handschrift heeft, wordt daar om geprezen, iemand die fijn naaiwerk aflevert……

Teksten bij de tentoonstelling in het Haags Kunstmuseum van Anni Albers: ‘De bijdrage van Anni Albers aan de moderne kunst blijft lang onderbelicht. Ondanks een solotentoonstelling in het MoMa in New York (1949) – als eerste textielkunstenaar ooit – beschouwt de kunstwereld textiel lange tijd als ‘slechts’ handwerk – vrouwenarbeid zelfs – en daarmee als een discipline die niet thuishoort in de canon van het modernisme. Op 86-jarige leeftijd in 1985 zegt Albers : ‘Ik bemerk dat, wanneer een werk met draden is gemaakt, het als een ambacht wordt beschouwd; wanneer het een werk op papier is dan beschouwt men het als kunst.’

G. DE ONZICHTBARE VROUW

De Onzichtbare Vrouw is de titel van een boek uit 2008, geschreven door drie archeologen. Eén van hen is vrouw. De combinatie vrouw en archeoloog kwam lang niet voor. De drie schrijvers beseffen dat de mannelijke collega’s die de prehistorie vóór hen duidden, dit deden met de voor hen vanzelfsprekende mannelijke blik en ordeningsprincipes.

Archeologen trekken hun conclusies op basis van wat zij aantreffen op hun vindplaatsen: vuursteen, vuistbijl, speerpunten, aardewerk. Gebruiksvoorwerpen van metaal en steen blijven langer in tact dan zachte materialen. Daarnaast: mannen kijken vanuit hun mannelijke invalshoek. Dus wanneer zij een graf ontdekten waarin een speer lag, dan kon men niet anders concluderen dan dat men hier met het graf van een man van doen heeft.

Alleen een geoefend oog kan een afdruk van weefsel ontwaren, alleen met een open blik kan je een vezel, een stukje touw vinden. De combinatie mannelijke blik en oog hebben voor een haakpatroontje is vaak geen gelukkige combinatie.

Er zijn niet veel oude vindplaatsen van draad, maar één ervan heet Dolni Vestonice in het huidige Tsjechië. Op deze vindplaats van zo’n 26.000 jaar geleden is bewijs gevonden van dat wat archeologen nu de draadrevolutie noemen.


Citaat uit het boek:

‘Er zijn enkele honderden vrouwenfiguurtjes gevonden, de oudste uit steen gehouwen, de jongere (tussen de 22.000 en 27.000 jaar oud) zijn gemaakt van klei.

In eerste instantie vermoedde men dat het haar ingevlochten was. Maar nu schat men in dat het gaat om een geweven muts, opgebouwd vanaf een geknoopt punt in het midden, volgens een techniek die Amerikaans-Indiaanse stammen nog steeds toepassen bij rond gevlochten manden.

Mogelijk diende een aardewerken beeldje zoals hier afgebeeld zelfs als een patroon voor de muts.


Deskundigen zijn het er nu over eens dat deze mensen in groepen met vuur, met kleden, kleding en sieraden leefden.

In het boek wordt geschetst hoe in die tijd een huis werd opgebouwd vanuit een kuil. Vanuit die kuil staken boomstammen omhoog, waarover dierenhuiden werden gespannen. De ribben van een mammoet konden dienen als spanten voor een gebogen dak.

Dierenhuiden spannen……daar heb je touw voor nodig.

De uitvinding, de ontwikkeling van de draad, zou wel eens het begin van de ontwikkeling van de menselijke cultuur zou kunnen zijn.

Want om de kuil te isoleren tegen kou, om de wanden te beschutten tegen wind werden vanuit de binnenkant van de tent, vloerkleden gelegd en wandkleden gehangen. De beschrijving doet me denken aan een yurt, een ger. De tent waarin de laatste nomaden van Azie rondtrekken.

Wie een vezel heeft, kan touw maken. En als je touw hebt, dan kun je twee artikelen met elkaar verbinden, dan kun je netten maken om vissen of kleine wilde dieren te vangen, dan kun je iets ophangen, dan kun je weven, dan kun je hijsen. Dan kun je een mand maken. Dan kun je kleden maken.

26.000 jaar geleden…. eigenlijk zegt zo’n getal me niet veel. Ik ga eens schatten hoeveel voormoeders dat zijn. Want uit het feit dat ik besta mag ik afleiden dat mijn voormoeder er toen was.

Ik denk dat vrouwen vroeger gemiddeld eerder een kind kregen dan nu. ‘Eerst je studie afmaken…’, lijkt me een advies dat toen nog niet werd gegeven. Zouden vrouwen vroeger zo rond hun twintigste gemiddeld hun eerste kind hebben gekregen? Dat betekent iedere honderd jaar vijf opeenvolgende moeders. Dat zijn vijftig generaties in duizend jaar.

Dus 26.000 jaar geleden betekent dertienhonderd keer de moeder van de moeder van de moeder van de …….

Nu we toch aan het tellen zijn….

De oudste kralen, stukjes gebakken klei met een gaatje erin, dateren van 100.000 jaar geleden. Als er een gaatje in die kralen zit, betekent dat dat er ook een draad bestond die door dat gaatje heen ging.

Vijfduizend generaties geleden….als één van die voorouders er niet was geweest, dan was ik er ook niet geweest. Dat maakt me geruststellend nietig.

Als iemand een ketting maakt, om zichzelf of een ander te versieren, dan betekent dat dat je je daarmee onderscheidt van de ander. Dat betekent dat je een eigen identiteit hebt. De oma’s van de oma’s van onze oma’s; ze lijken op ons.

De onzichtbare vrouw – J.M. Adovacio, Olga Soffer en Jake Page – Artemis en co. ISBN 978 90 472 0039 0 – Oorsptonkelijke titel: the invisible sex: Uncovering the true roles of women in prehistory.


H. ONZICHTBARE VROUWEN II

Ik loop in de bieb Mijn oog valt op een boek met de titel: Ooit gelukkig.

De foto van het borduurwerk die op het omslag staat, maakt dat ik het boek leen. Het borduurwerk is min of meer grof van draad. De maakster moet wel plezier hebben gehad bij het maken, want het is veel werk: heel het stramien vol met kruissteekjes. Als je een hekel hebt aan dat werk, kun je het niet opbrengen om het af te maken.

Omdat de moeder van de schrijver min of meer de hoofdpersoon is uit het boek, verwacht ik te lezen dat de moeder borduurde. Maar dat is niet zo. Het omslag is gekozen omdat de moeder ooit een korte periode in haar leven gelukkig was geweest in Zwitserland.

Aardig vind ik, dat de ontwerpster gelukkig zijn blijkbaar associeert met borduren.

De schrijver vertelt in het boek dat hij zijn moeder niet goed heeft gekend. De moeder was bijzonder kundig met textiel want ze was coupeuse bij een bekend modeontwerpster. De moeder kon zelfs patroon tekenen. Iemand die kan patroon tekenen heeft een bijzonder goed ruimtelijk inzicht. Iemand met een goed ruimtelijk inzicht is per definitie intelligent. Als de stof links voor hoog niet goed valt, zoek de oplossing dan links achter beneden. Als je ruimtelijk inzicht hebt is dat logisch. Je moet bij kleding maken altijd binnenste buiten en achterste voren denken.

Wat mij opvalt: keurig lijken de namen van alle verantwoordelijken voor het boek vermeld. Echter niemand die betrokken was bij de totstandkoming van het boek vermeldt de naam van de maakster van het borduurwerk. Mogelijk was het niet bekend, maar dan had volgens mij geschreven mogen worden dat het borduurwerk gevonden was in een nalatenschap of in een kringloopwinkel of in de textielafvalbak.

Zo’n omissie doet mij denken aan een artikel in het boek Levensdraden van Clare Hunter. De schrijfster vertelt tot in detail wat zij waarneemt bij haar bezoek aan de wandtapijten van Bayeux. Nauwkeurig wordt de bezoeker in beeld en geluid verteld welke zeeslagen worden verbeeld en wie wat wanneer heeft gewonnen respectievelijk verloren onder aanvoering van welke krijgsheer. Zeer interessant natuurlijk. Het valt de bezoekster op dat met geen woord, maar dan ook met geen woord wordt gesproken over de maaksters: niet tijdens de audiotour, niet bij de tentoonstelling, die bij het bijna 1000-jaar oude kunstwerk hoort. Ook de kunst van het naaldwerk blijft onbesproken. Het wandtapijt trekt 400.000 bezoekers per jaar.

I. ONZICHTBAAR: WAT MAAKT DAT UIT?

Och, is het zo erg is als je naam niet wordt genoemd? Miljoenen toeristen bewonderen het borduurwerk, ze betaalden hun entree….daar gaat het toch om? Ook ik leerde van mijn moeder dat bescheidenheid een deugd was. Trots zeggen: ‘Kijk dat heb ík gedaan,’…het grensde in mijn jeugd al snel aan ijdelheid, aan opscheppen. En ik vermoed dat die emotie in het DNA van vrouwen is gaan zitten of anders in ons collectief bewustzijn.

Gelukkig zag ik onlangs Oprah Winfrey op t.v. (interview met Ivo Niehe). Ze vertelde hoe ze als meisje van tien jaar oud de Supremes op t.v. zag: prachtige zwarte vrouwen die in een galajurk, verleidelijk en technisch perfect, melodieus, ritmisch zingen en dansen. Ieder gekleurd meisje die dat direct of later zag, dacht: …..hé, dat kan dus ook. Ik zou er ook zo uit kunnen zien, ik zou ook zo kunnen…..vult u zelf de superlatieven in.

‘That’s what fame is for’, zei Ophrah. Iemand die beroemd, bekend is, die kan gezien worden door anderen. En die anderen kunnen denken: dat lijkt me leuk, dat zou ik ook wel willen. Wat moet ik doen om ook zo te worden? Iemand die wordt gezien om wat hij of zij kan, wordt daarmee een inspiratiebron, een voorbeeld voor anderen.

En dat is het belang van heersende elites om minder complimenteus te zijn over iets nieuws of over iets dat al millennia lang bestaat: mensen zouden erdoor op ideeën kunnen worden gebracht. En vervolgens is het nog maar de vraag of de elite die status kan blijven behouden, als er nieuwigheden voor hun product komen of wanneer oude waarden toch van alle tijden blijken.

En…het is er ook altijd geweest, alleen…die lappen stof groeiden niet aan de boom, een vissersnet kun je niet plukken. De lappen zijde, linnen, katoen, wol werden gemaakt, nadat de draad die nodig is om te weven werd afgewikkeld (bij zijde), werd gesponnen bij de andere drie materialen. Door daar niet of te weinig bij stil te staan, door er geen aandacht aan te geven wordt de arbeid, het ambacht van een mens niet gezien. Niet gezien worden lijkt onzichtbaar. Iets wat onzichtbaar is, lijkt niet te bestaan. Negeren gaat vervolgens vanzelf: iemand is bezig met het spinnen van draad, met het weven van stof, met het voeden van de zijderupsen, (die beestjes eten gigantische hoeveelheden), maar het krijgt niet de status van werk, van arbeid. En als iets niet bestaat, dan telt het niet meer mee. Dan wordt er geen rekening mee gehouden. Vervolgens verdwijnt het vanzelf. Waarna anderen ermee kunnen doen wat ze willen.En nog altijd zijn werkers in de textiel onzichtbaar. Ik weet niet wie mijn perfect passende, gekochte broek heeft gemaakt. Zelfs wanneer ik die broek koop in relatief dure winkels: nooit staat er een fotootje bij van het atelier waar het werd gemaakt, laat staan een naam. Kreeg de maakster naar behoren betaald? Hield ze na haar werkdag tijd over voor haar zelf of haar kind? Of maak ik haar met mijn aankoop tot slaaf, omdat ik een rol vervul in een systeem dat slechts gericht is op geld verdienende opdrachtgevers? Of zitten zelfs de opdrachtgevers klem? Betaalt het milieu de rekening? De broek waar ik zo tevreden over ben had in ieder geval enkele tientallen euro’s duurder dienen te zijn. Want er is water gebruikt, aarde vervuild die producenten zich ten onrechte toe-eigenden.

J. VROUWENWERK EN HET MAKEN VAN DRAAD

Wanneer iemand tijdens het vertellen van een verhaal beseft dat ie de draad kwijt is, dan zit dat dwars. Niemand wil zomaar losse feiten of meningen verkondigen. Er dient een draad door het verhaal te lopen.

Het maken van draden wordt vaak aan vrouwen toegedacht. Niet omdat mannen het niet zouden willen, mogen of kunnen, maar omdat het maken van een draad gecombineerd kon worden met zorgtaken. Het zogen van kinderen kon duizenden jaren lang niet door een man worden gedaan; de technische hulpmiddelen ontbraken, de juiste voeding was niet bekend.

Vrouwenwerk is werk dat kan worden gecombineerd met het zogen van, zorgen voor kinderen. Jonge kinderen hebben nog geen gevoel voor gevaar; de volwassene dient hen daarom een veilige omgeving te bieden. Werken met vuur bijvoorbeeld is gevaarlijk voor kinderen, dus ijzer smeden is geen werk dat je doet als een peuter rondkruipt.

Jonge kinderen kunnen zowel onverwacht als op gezette tijden hun aandacht opeisen. Een baby die honger heeft, kan hoogstens een korte tijd wachten. Dus een opvoeder die een lange tocht van huis maakt om eten te verzamelen is niet handig bezig.

Een laatste consequentie van directe beschikbaarheid voor een kind is: het werk dient het toe te laten dat het wordt onderbroken. Het moet werk zijn dat je even naast je neer kan leggen om er later weer aan verder te werken.

Het maken van een draad is werk dat aan al die voorwaarden voldoet: het is veilig voor het kind, je kunt het even laten rusten, je doet het aan huis. Dat is dus het werk dat onze voormoeders duizenden jaren lang deden.

En ook: het spinnen van garens, het maken van draad of touw, het weven van stof, breien, iets maken met naald en draad…het zijn moeilijke technieken. Als je het nieuw moet leren gaat heel lang veel mis. Maar het is werk dat een automatisme kan worden: op zeker moment kunnen je handen, je vingers bijna autonoom haken, breien, spinnen, herstellen. Vergelijk het met fietsen of zwemmen: ons lichaam weet als in een reflex wat te doen. Dat is reuze handig bij het zorgen voor, opvoeden van kinderen.

Met alle winkelcentra en bezorgdiensten om ons heen zijn we de draad met ons eigen verleden kwijtgeraakt. Een draad, een touw….kampeerders onder ons weten wel dat je zonder touw de tent niet stormvast kunt zetten. En touwen waren belangrijk voor het maken van netten om te vissen, om te takelen, om meerdere voorwerpen aan elkaar vast te knopen, om een tas te maken, om iets hoog te hangen, om iets zwaars te verslepen, om huiden met elkaar te verbinden, om iets te omheinen, te markeren.

Archeologen, tot voor enkele decennia waren dat mannen, zijn geneigd om te letten op zichtbare sporen, voorwerpen die de tand des tijds doorstonden: potten van aardewerk, vuurstenen. Maar de samenlevingen waaruit wij mensen voortkomen, hadden onmogelijk kunnen bestaan zonder de draad, het touw. Dat is een tot voor kort veronachtzaamd feit. Door de techniek waarmee onze voorouders draad konden maken ontstond een kantelpunt in onze voorgeschiedenis: de draadrevolutie.

Wat wel een tastbare archeologische vondst is, zijn kralen, soms zelfs wel honderdduizend jaar oud. Kralen zitten aan een draad. Met een kraal, genaaid op kleding of hangend aan een draad, onderscheiden we ons van onze medemens. Die uiting van individualiteit zit blijkbaar in ons mensen.

Uitgegeven door museum-albersdorf.de , maar het staat niet meer op huidige site. Bovenstaande en meer uitgebreide info kan worden gevonden bij Pinterest.

Literatuur: Bovenstaande informatie komt uit twee boeken: De onzichtbare vrouw (Adovasio,soffer en Page) en Women’s work (Elisabeth Wayland Warner). Op YouTube staat filmpjes over hoe je draad, touw maakt van vezels. De uitgevers en internetadressen vindt u bij ‘LINKS’ op deze site.

K. HET MAKEN VAN DRAAD II

Een zijden draadje om te borduren, knotten wol om een trui te breien, een klosje naaigaren voor de machine….ik zou gedacht hebben dat ik wel wist waar ik de draad kan vinden. Borduurgaren van zijde heet al heel mijn leven DMC garen. Iedere stoffenwinkel heeft een rek waar je dat kan kopen. Knotten wol: er is een tijd geweest waarin ieder stadje een wolwinkel had. Maar die tijd is geweest. Vóór de wolwinkels bestond er een postorderbedrijf, genaamd de 3Suisses.

Maar wanneer ik me echt verdiep in het onderwerp realiseer ik me: de draad van een bol wol, borduurzijde zijn zelf al uitkomsten van een onzichtbaar, onmisbaar ambachtelijk proces. Het voormalige handwerk wordt sinds een eeuw of vijf overgenomen door spinnenwielen en daarna machines, maar voordien was het duizenden jaren dagelijkse arbeid voor vele leden van welke samenleving dan ook.

Uit ruwe wol, zijde, vlas, katoen dient eerst een draad te worden gemaakt, voordat men ermee kan gaan weven, haken, borduren, vlechten, knopen.

Spinnen op een spinnewiel, dat ken ik wel een beetje: uit sprookjes of van een workshop. Als je ’spinnen op een spinnenwiel’ googelt dan blijken er nog veel plekken te zijn waar je dat kunt leren.

Het gaat mij om de tijd van onze voormoeders duizenden jaren geleden.

In het eerder genoemde boek Women’s Work wordt spinnen gekarakteriseerd als een oneindige taak ‘an unending task’. Het spinnen, het maken van draad vraagt namelijk beduidend meer tijd dan bijvoorbeeld breien of weven. En die twee vaardigheden vragen aardig wat geduld.

Er zijn vanuit de archeologie aanwijzingen dat iedere vrouw, en in Egypte ook mannen, konden spinnen. Er zijn graven gevonden van vooraanstaande vrouwen waarin naast kostbare sieraden, spintollen werden gevonden. Men neemt vanwege de gouden en zilveren uitvoeringen aan dat in de vroege bronstijd in Centraal Turkije(2.500 jaar voor Christus, zeg zo’n 500 generaties voormoeders vóór ons) ook vrouwen van rijke komaf het basismateriaal voor hun eigen stoffen konden maken. In Troje bijvoorbeeld zijn vanuit diezelfde periode 10.000 spindels, spintollen gevonden.

Armere vrouwen hadden spinklosjes van klei. In combinatie met een stokje, de spinrok, kon men daar wol mee spinnen. Het spinklosje zit vast aan het onderste einde van de spinrok en het gesponnen garen wordt om de schacht direct boven het spinklosje gewonden.

De spinrokken was/is symbool voor vlijt en vrouwelijkheid. In de schilderkunst, bijvoorbeeld bij afbeeldingen van Eva in het paradijs, in illustraties bij heksenverhalen worden vrouwen vaak met een spinrokken afgebeeld.

Op internet is veel over de techniek te vinden: ook filmpjes en duidelijke beschrijvingen. U vindt de adressen daarvan onder aan dit verslag.

Als laatste informatie over de draad vertel ik graag het verhaal van de schikgodinnen.

Schikgodinnen zijn de godinnen van het lot. Ze komen in meerdere mythologieën voor. Ze bepalen het levenslot, niet alleen van mensen maar ook van andere goden.

Schikgodinnen zijn altijd met zijn drieën. De eerste, de spinster spint de levensdraad. Zij staat symbool voor het creëren van leven. De tweede, de verdeelster, meet de lengte van de draad en bepaalt daarmee de lengte van het leven. En de derde schikgodin knipt de draad af op het moment dat zij de tijd rijp acht voor de dood.

L. OOK EEN GEKOCHT KLEDINGSTUK IS MET DE HAND GEMAAKT

Misschien staan weinig mensen stil bij een voor mij fascinerend gegeven: hoe kon de duizenden jaren oude cultuur van zelf kleding maken in één generatie verdwijnen?

Foto en info uit bijschrijft zijn afkomstig van Handwerkwereld.com

Deze tuniek heet de Tarkhan Dress. Het kledingstuk is 5000 jaar geleden gemaakt van geweven linnen. Het hemd is gevonden in een pyramide.

In Egypte werd linnen thuis geweven, nadat het eerst was gesponnen uit vlas. Spinnen en weven waren lang vrouwenwerk, maar toen er een verticale versie kwam van een weefgetouw gingen ook mannen weven.

Verbeeld ik mij: dit model met de plooitjes zou nog zo in de rekken van een kledingwinkel kunnen hangen?

De meeste mensen zullen denken: ben blij dat het niet meer hoeft. Er ging immers veel tijd zitten in het breien van een trui, in het naaien van een outfit. Het resultaat moest je eigenlijk afwachten. Want eerlijk: kleding maken is een vak apart. Ook mijn moeder die vrijwel alle kleding maakte, liet kleding voor bijzondere gelegenheden zoals een bruiloft, maken door de naaister.

Ik realiseer me: vroeger maakten mensen überhaupt alles zelf. Wat is in onze huidige cultuur nog handgemaakt? Veel mensen hebben op het terrein van koken wel eigen specialiteiten. De een maakt heerlijke  soep, de ander bakt appeltaart en/of heerlijke ovenschotels.

‘Iets maken’ kan ook betekenen dat je iets herstelt, dat je er een eer in schept om die ene trui, dat oude overhemd steeds opnieuw te repareren. We kunnen ons hechten aan kleding, aan gebruiksvoorwerpen ook. De oude broodplank van mijn moeder…hij valt wel eens uit elkaar, maar wordt altijd weer geplakt. Of iemand anders koopt voor weinig geld een afgeschreven oud houten wijnvat, verbindt de pvc buizen vanaf de dakgoot met de inlaat van de ton, zet een pomp op de ton en….regenwater voor de tuin. Als een kind zo blij 🙂 Zelf iets maken geeft veel voldoening. Dat ‘iets’ wordt dan een deel van jezelf. Het is van mij, mijn trui, mijn appeltaart, mijn regenton.

Kenmerken van iets maken, zowel in de betekenis van iets nieuws creëren als iets herstellen, zijn: het kost veel tijd en het kost vaak betrekkelijk veel geld. Dat laatste zou ik niet verwachten, maar het is wel zo: meel en appels om te bakken….voor minder dan de financiële helft en in een fractie van de tijd koop ik een kant en klaar product. Of het herstellen van de tuinbank: een pot beits en andere benodigdheden zijn vaak duurder dan met een klik op de computer een nieuwe bestellen. Die ook weer snel kapot gaat, dat wel. Maar dat is de bedoeling van de verkoper, want die verdient graag snel nog een keer.

Ook is het altijd een beetje spannend of het zelf gemaakte product wel echt geslaagd is: ik maak me kwetsbaar als ik mijn gasten een gerecht serveer dat ikzelf maakte. Ik ben opgelucht als mijn gasten zeggen dat het eten lekker is. Dat zelf iets maken een bijzondere kwaliteit geeft, is wel te zien in het eten dat we voor elkaar maken. Daar zit ook liefde in.                                                                                                                           Ik kan me niet voorstellen dat ik een blik soep opentrek voor mijn kleinkinderen of voor mijn gasten. Ook niet voor mezelf trouwens.

Tijd en geld, investeringen die nodig zijn om zelf iets te maken, komen we in ons leven vaak tekort. Iemand die zelf alles zou willen maken, plaatst zichzelf buiten de maatschappij. Dat kan dus niet meer. En dus zijn we blij met alle kledingstukken die we, vaak niet eens zo duur, snel kunnen kopen in de winkel of webshop. Dat vindt ieder van ons fijn.

En toch….we zijn er met zijn allen niet op vooruit gegaan. We schijnen een kledingstuk gemiddeld een keer of vijf te dragen. Er wordt gigantisch veel nieuwe kleding vernietigd, omdat marktwerking daarom vraagt. Terwijl we zo graag willen dat het klimaatprobleem wordt opgelost, komen er alleen maar ecologische zorgen bij. Veel synthetische weefsels hebben olie als grondstof.

In Engeland bestaat een tv-programma: een soort Heel Holland Bakt maar dan voor kledingmakers. Vaak zitten er bij de opdrachten een galajurk of een colbert met onzichtbare zakken, reden waarom ik er jarenlang niet naar keek. Maar een tijdje geleden vroeg ik mezelf af of ik met mijn naaiwerk niet aan de langzame kant ben. Ik maakte een broek (handig model met aangeknipte band, een snelle manier om een dubbel gestikte naad te maken) en na afloop telde ik hoeveel uur ik eraan had gewerkt. Ik ging kijken naar het programma om mijzelf met de kandidaten te vergelijken. Zo’n handig gemaakte broek zouden zij in een uur of drie dienen af te hebben en ik deed er dubbel zo lang over, maar toch: drie uur.

Als die broek in Bangladesh was genaaid in een atelier, dan zou de mevrouw achter de naaimachine daar ook enkele uren mee  bezig zijn. Want ieder kledingstuk is, met behulp van een naaimachine altijd handgemaakt.                                                                                             

De naaister van mijn moeder van vroeger woonde om de hoek. De naaister van nu werkt ongezien heel ver weg.  Mijn moeder was de opdrachtgeefster van de naaister: zakelijk de kortste verbinding. Nu zitten er lange schakels, ketens (opdrachtgevers, ontwerpers, inkopers, vervoerders, producenten)  tussen ons klant en de naaisters in verre landen.

Maar het industrieel vervaardigen van een jurk of een broek is niet te vergelijken met het productieproces van een pak koekjes of een blik soep. De koekjes of de soep worden in een autonoom proces door achtereenvolgende machines gemaakt. Maar het kledingstuk is met vakmensschap, min of meer met de hand gemaakt door iemand, een ander mens, vaak een mevrouw, die uitermate weinig krijgt betaald. Waarom zou zij haar kostbare tijd besteden aan mijn kleding?

I1 STAKING IN BANGLA DESH

De tekst hiernaast is een voorbeeld voor hetgeen ik schreef ik bovenstaand hoofdstuk: hier worden bedragen en aantallen genoemd. Vier miljoen mensen werken in de kledingindustrie, van wie het overgrote deel vrouw is.

Ik geef nog aanvullende informatie uit De Volkskrant van een dag later, 13 november 2023:

Bij de protesten zijn drie arbeiders (vrouwen?) overleden; er zijn confrontaties geweest tussen de politie en stakers. ‘De vakbonden hebben een voorgestelde verhoging van bijna 60 procent afgewezen, omdat textielarbeiders in Bangla Desh dan nog steeds minder verdienen dan hun collega’s in andere Aziatische lagelonenlanden.

Er zijn 3.500 kledingfabrieken in Bangla Desh. Die gaan niet akkoord met een salarisverhoging tot 105 euro per maand, want in bijvoorbeeld Cambodja verdient een textielwerker 250 euro. De bonden eisen een verdriedubbeling van het salaris.

” ‘Als ze de straat opgaan(…) zullen ze hun baan verliezen en dan moeten ze terug naar hun dorp.’ zei de premier van Bangla Desh, Sjeikh Hasina, die deze week op harde toon duidelijk maakte dat meer loonsverhoging er niet inzit. ‘ “

Daarop protesteerden 25.000 textielwerkers, die daarbij de hardhandige politie op hun pad troffen. Zes vakbondsmedewerkers zijn gearresteerd.

De politie heeft een massa-aanklacht ingediend tegen elfduizend werknemers van kledingfabrieken. Aanklachten tegen meer dan tienduizend mensen zijn in Bangla Desh een beproefde manier om protesten te breken.

De vakbonden in Bangla 1desh hebben zestig internationale bedrijven gevraagd om steun. Volgens een woordvoerder van Schone Kleren Campagne, die vanuit Nederland ijvert voor een rechtvaardige kledingindustrie, laten veel merken het tot dusver afweten. Merken als C&A, Hema, , Primark, Zalando, Uniqlo, Zeeman, H&M, M&S, New Look, Next, Bestseller, Esprit en Aldi worden genoemd. Deze merken zijn van mening dat ze zware tijden doormaken in verband met de gestegen transportkosten. Als de lonen nu ook nog omhoog gaan……… Tot zover het artikel in De Volkskrant.

Overigens krijg ik bij een woord als arbeider en textielwerker geen plaatje in mijn hoofd van een vrouw. Ik ben van mening dat het zogenaamd ‘neutraal’ betitelen van een beroep, waarbij steevast de mannelijke variant wordt gekozen, leidt tot het onzichtbaar maken van de rol van vrouwen in de samenleving. Er is niet eens een woord voor haar vak, haar positie, haar rol.

M. TEXTIELMUSEUM WORDT INDUSTRIEMUSEUM

In de zomer van ’22 ben ik enkele dagen in Lyon. Ik heb een afspraak en ik heb tijd over. Ik kan het nuttige met het aangename verenigen, want ik zie…in Lyon is een eeuwenoud Textielmuseum: het Musee des Tissus. Tissu is het Franse woord voor weefsel. Tistre is een weverij.

Maar na een zoektocht in de voor mij nieuwe stad blijkt de poort dicht. Er hangt niet eens een A4tje op de deur, dus ik probeer of de deur misschien klemt. Waarna de poort zich opent: een meneer in werkkleding vertelt mij dat ik niet naar binnen kan, want hij heeft daar nog ‘beaucoup de travail’ te verrichten.

Wat ik eventjes niet begreep: Google Maps vertelt dat op het door mij ingetypte adres het Industriemuseum is gevestigd. Maar snel daarna begrijp ik dat Google alvast anticipeert op de toekomst. Die naamswijziging zit in de pen en daarmee de nieuwe invalshoek.

De industriële revolutie zou er niet zijn geweest zonder textiel. Alle ontwikkelde machines, spinnenwielen, weefgetouwen hadden te maken met textiel. In de fabriekshallen waarin vrouwen/moeders werkten, werd kleding genaaid. De Engelse taal kent hetzelfde woord voor zowel stof/weefsel als fabriek zegt eigenlijk alles: fabric.

Ook in Gent heeft men gekozen om de naam van het textielmuseum te veranderen in Industriemuseum.

Dat zal alles met marketing te maken hebben: welke doelgroep spreek ik aan als ik iets wil vertellen over textiel? Hoe groot is die doelgroep en uit wie bestaat die doelgroep? Bij die laatste vraag komt een glimlach op mijn gezicht. Ik denk aan de stroom oudere dames die de textielbeurzen bezoeken, waar ik ook wel eens kom.

Welke doelgroep zal zich aangesproken voelen bij onderwerpen als machines en industrie? Wie zal zich aangesproken voelen bij het onderwerp ‘textiel’? Die doelgroep voor techniek is groter, jonger en meer divers. Dus uit marketingoogpunt zou ik dezelfde afweging maken.

Maar ik vind het tevens een voorbeeld van hoe geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars.  In dit geval zijn de mannen de overwinnaars.

Ik neem het voorbeeld van de zijde om dat uit te leggen. Ook Lyon vergrootte eeuwenlang haar welvaart met het vervaardiging van zijde. We begrijpen: die zijden stof werd binnenshuis gemaakt. Duizenden jaren eerder werd zijde reeds in China gemaakt; ook binnenshuis. De winst werd buitenshuis gemaakt. We danken er het begrip zijderoutes aan: wegen werden aangelegd, steden konden zich ontwikkelen dankzij de handelskaravanen met kostbare zijde.

De goede verstaander begrijpt: het waren de vrouwen die thuis de zijde weefden. Het waren de mannen die er geld, handelswaar van maakten. Sterker: er zijn periodes en culturen geweest, waarin zijde geld wás.

Het spinnen van draad (overigens: een zijden draad ís al gesponnen) was de eerste activiteit die door machines werd overgenomen. De weefgetouwen werden machinaal.

Weefgetouwen vormden zelfs de inspiratiebron voor het binaire stelsel. Machinale weefgetouwen draaiden op ponskaarten: dikke harmonica-achtige kartonnen ‘boeken’ met gaatjes die door de weefmachine werden geleid. Via wél of geen gaatje in de ponskaart was het een relatief kleine stap naar de nullen en de eentjes via welke weg de computer de machines zouden gaan aansturen.In Horst in Limburg is Museum De Kantfabriek. Daar kun je werkende machines zien die kant vervaardigen. Ook die machines worden aangestuurd door ponskaarten.

Ik vertelde al eerder dat de woorden tekst en textiel dezelfde oorsprong hebben. Daar hoort nog een woord bij: ook het woord techniek heeft etymologisch dezelfde oorsprong als tekst en textiel. Mijn fantasie kan met me op de loop gaan als ik denk aan alle technieken die van een losse, flexibele, min of meer eendimensionale draad driedimensionale al dan niet soepele vormen kunnen maken. Anderzijds bestaat er een woord als zijde-industrie: terwijl de productie van zijde een natuurlijk proces is: moerbeibomen planten, rupsen (heel veel en heel vaak) te eten geven, wachten tot de rupsen zich inwikkelen in de zijde-cocon, die zijde oogsten (hopelijk nadat de rups zich eerst een weg naar buiten heeft kunnen bijten) , de zijde afwikkelen, de dunne draadjes samenvoegen tot lange draden die op een weefgetouw dienen als kettingdraden. Vanaf dit laatste stadium komen er in de huidige tijd machines aan te pas.

Enfin: deze gedachten komen bij me op, wanneer in Lyon, het centrum van de Europese zijdeteelt in de achttiende eeuw, het textiel museum wordt gerenoveerd, waarna het zal worden heropend als museum van de industrie.

M I VAN INDUSTRIALISATIE VIA VERANDERINGEN NAAR SOCIALE ONRUST

Ik weet zeker dat de weefmachine van Jacquard in het nieuwe industriemuseum zal komen te staan. Een filmpje zegt meer dan een foto. Als u wilt: kijkt u op YouTube naar filmpjes over deze weefmachine. Dan wordt zichtbaar dat de ponskaarten in deze weefmachine zich baseerden op de theorie van Leipnitz uit 1750 en tegelijkertijd de voorloper waren van de huidige digitale apparaten. En de perforatierand, die bij traditionele filmrollen aan de zijkant zit is eveneens ontleend aan de gaatjes in het papier van de weefmachine. De gebroeders Lumiere, van de film, woonden in Lyon.

Ik maakte deze foto in een ander groot museum in Lyon Confluences. Deze weefmachine werd geconstrueerd rond 1800 en was vijftig jaar later gangbaar. Vele banen van zijdewevers werden overbodig. In 1831 kwamen de zijdewevers in opstand.

Een stad als Lyon heeft zijn groei en ontwikkeling volledig te danken aan de textielindustrie, aan de zijde. Eerst was er in Lyon alleen handel: in Italië produceerde men al vanaf de twaalfde eeuw zelf zijde. En vanaf de veertiende eeuw kreeg de stad Lyon toestemming om ook te gaan handelen in zijde. Ik geef nu kort weer wat bij Wikipedia te vinden is bij ‘Zijde-industrie van Lyon’. WORDT VERVOLGD 22-11-’23



TWEEDE BLOG

HET MAAKPROCES VAN MIJN WERKSTUKKEN

Detail uit batik met borduurwerk.

INHOUD

24 – Ervaringen van de tentoonstellingen – november ’23

23 – Meedoen aan een tentoonstelling – oktober ’23 23 b – Een tentoonstelling in elkaar zetten – 8 oktober ’23

22 – Planten zien – september ’23

21 – Tekenen op de naaimachine – augustus ’23

20 – Twee aquarellen en een tekening in viltstift – juli ’23

19 – Het presenteren van textiel werk is een vak apart – juni ’23

18 – Twee wandkleden – batiks, fantasielandschappen – mei ’23

17 – Twee wandkleden – april ’23

16 – Spinnenweb met waterdruppels – maart ’23

15 – Naar aanleiding van een schetsje: uitleg over mijn visie – februari ’23

14 – batik over volkstuin, maar de batik werd een patchwork – januari ’23

13 – Uitleg : batik op papierdecember ’22

12 – Landschappen van mijn omgeving ( in acryl)november ’22

11 – Impressies over de tentoonstelling in molen in Weert – sept. ’22

10 – Aquarellen, gemaakt aan de Normandische kust – juli ’22

9 – Twee wandkleden. Titel: De draad kwijt – juni ’22

8 – Quilt voor de tentoonstelling in Rijswijk: Over The Top maart ’22

7 – Twee quilts voor tentoonstelling – maart ’22

6 – Aquarellen, gemaakt in de Ardèche – sept. ’21

5 – Waarom schrijf ik? Waarom maak ik? – febr. ’22

4 – TWEE STUDIES EN MIJN ATELIER – jan ’22

3 – DE AKKERDIJKSE PLAS – BATIK, PATCHWORK – juni ’21

2 – DE OOYPOLDER EN DE POLDER -BIJ ZOETERWOUDE – LANDSCHAPPEN IN STROKEN TEXTIEL – mei ’21

1 – HET ONGEZIENE WERK VAN ONGEZIEN KUNSTENAAR – april ’21

HET TWEEDE BLOG : maandelijks verslag over wat ik maak.

24. ERVARINGEN VAN DE TENTOONSTELLINGEN – NOVEMBER 2023

Dit is de tentoonstellingsruimte, gefotografeerd vanuit het Mauritshuis. Een grote zaal aan de Korte Vijverberg in Den Haag.

Twee tentoonstellingen zijn voorbij. Ik bewaar er zeer positieve herinneringen aan. Ik beschrijf enkele willekeurige tentoonstellingservaringen. Want de reacties staan niet in verband met elkaar: steeds weer ontstaat een kort contact tussen kijker en maker. En dat contact is steeds anders van inhoud en sfeer; vaak bijzonder persoonlijk. Ik leerde ervan dat kunstwerken uitleg verdienen. Het persoonlijke contact met bezoekers ontstaat wanneer ik uitleg geef over : de voor- en de achterkant mogen in verband staan met elkaar. Als iets niet transparant is dan past ons enige achterdocht . Ook is het voor mij verrassend om te zien welke werken worden gefotografeerd. Zelf associeer ik het werkresultaat nog teveel met het maakproces, dat bijna altijd een zoekend uitproberen was. De kijker weet dat natuurlijk niet, die ziet alleen het eindresultaat en vindt het blijkbaar goed genoeg om een foto te maken. En wat ik al eerder merkte bij een tentoonstelling: ieder werk wel door iemand mooi gevonden. Kijkers kunnen heel enthousiast zijn. Ze laten op hun telefoon werken zien van andere kunstenaars die ze bewonderen. Mijn werk doet hen daaraan denken. Het geeft me ’s avonds een soort van huiswerk: even de naam opzoeken van die ene kunstenares uit Georgië bijvoorbeeld, waar mijn werk op lijkt. En al googelend leer ik dat handwerk en viltwerk uit dat land een cultuur is, zoals linnen hoort bij het oude Egypte en zijde bij China. Mijn wereld wordt daardoor groter.

Ik vond het fijn om uit te kunnen leggen hoe het batikproces werkt. Ik had een pakkende openingszin voor mijn verhaaltje: een schilder zet als laatste de witte puntjes in de ogen van de geportretteerde. Een batikker moet die witte puntjes er als eerste inzetten. Zo bouwt hij/zij de afbeelding kleur voor kleur op. Het was vaak een mooi, neutraal openingscontact voor de bezoeker en mijzelf om uitleg te krijgen/geven over het proces. Ook hier leer ik van de reacties, bijvoorbeeld je kunt ook batikken met een meelpapje. Inderdaad: dat blijkt een oude techniek om stof te verven uit (Zuid?) -Afrika.

Ik was niet heel mijn leven werkzaam in de kunst. Bij één iemand ontlokte het werk op de tentoonstelling de opmerking: ‘Ik wist niet dat jij artistiek was.’ 🙂

23. MEEDOEN AAN EEN TENTOONSTELLING – OKTOBER 2023

In deze maanden doe ik mee aan drie tentoonstellingen. Het is niet voor het eerst dat ik werk laat zien, maar toch ervaar ik deze tentoonstellingen anders dan de vorige keren. De vorige expositie duurden kort en ik had een expositieruimte waarover ikzelf regie had.

Nu exposeer ik langer en vooral samen met anderen. De tentoonstellingen van nu vinden plaats in de randstad. Anderen stellen hun ruimtes beschikbaar; soms stellen ze voorwaarden aan het gebruik. Er mogen bijvoorbeeld geen spijkers in de muren of er is geen ophangsysteem.

Ik sta nog maar aan het begin van de expositieperiode en ik heb al enkele nieuwe ervaringen. Bijvoorbeeld hoe fijn het is om samen met andere kunstenaars te praten over je werk en vooral ook om gedachten uit te wisselen over waarom je werkt. Afgelopen week vond een ontmoeting plaats met de exposerende kunstenaars bij Kobalt & Co. We spraken over bijvoorbeeld: waarom maak je wat je maakt? Bij mij is dat: ik merk dat in de samenleving niet alles verloopt zoals ik zou verwachten dat het loopt. Soms denk ik: dat klopt toch niet? Maar dan blijkt het wel te kloppen, waarna ik blijf zitten met een gevoel: ben ik nou gek of is de wereld…? Dan zoek ik naar een verbeelding van die gedachte. Als ik dan het resultaat laat zien, dan hoop ik dat mensen zich herkennen in de beelden.

Tijdens zo’n ontmoeting blijkt dat iedere kunstenaar eigen motieven heeft om iets te maken, te creëren.

Een ander onderwerp van gesprek was: behoeft een beeldend werk uitleg? Daar had ik me eens eerder in verdiept en ik leerde toen: beeldtaal is een eigen taal. Als kunstenaar dienen we te zorgen dat we die beeldtaal goed beheersen, dan komt de boodschap vanzelf over. Ik had zelf wel een ‘maar’ in mijn hoofd. Immers in musea bij grote tentoonstellingen hangt vrijwel altijd een verhaaltje naast het werk: wie is de geportretteerde? Wat was de relatie tussen de maakster en haar onderwerp? is het werk uit de beginperiode van de maakster? Vrijwel altijd voel ik me na lezing van de informatie meer voldaan over het kunstwerk dan wanneer ik alleen maar kijk.

Tijdens het gesprek van afgelopen week met de collega’s trok ik voor mezelf de conclusie: ik ga meer aandacht besteden aan tekst en uitleg bij mijn werk.

Ik verantwoord dat als volgt: we lijken in één grote wereld te leven maar onze maatschappij is een optelling van allerlei kleine wereldjes waarin eigen wetten en regels gelden. De logica van de juridische wereld kan indruisen tegen ons persoonlijk gevoel van recht en krom. De kennis van de medische wereld houdt zich niet bezig met kruiden. De horecawereld heeft eigen ideeën over gastvrijheid. Het kan zijn dat vragen om een glaasje water uit de kraan niet past. Echte puristen uit alle aparte werelden houden zich zuiver aan hun eigen kunst-, juridische-, medische logica.

Maar zelf vind ik dat in het gewone leven die wereldjes in elkaar overlopen: misschien is gemberthee soms beter dan paracetamol, misschien krijgt de advocaat of rechter wel meer impact als er compassie is met het slachtoffer of juist met de dader. Wellicht krijgt een beeld meer impact als ik er uitleg bij geef, de achtergrond bij vertel. Dus daarom: een verhaaltje bij mijn werk. Daar ga ik de komende maanden aan werken. Eerst op papier en dan zoek ik naar een vormgeving op textiel.

23 B : EEN TENTOONSTELLING IN ELKAAR ZETTEN – OKTOBER 2023

Een tentoonstelling in elkaar zetten…ik realiseer me dat dat oneerbiedig klinkt, maar…het is mijn eigen tentoonstelling, dus dan formuleer ik het liever niet hoogdravend.

Ik hoorde ook wel eens: een tentoonstelling inrichten is het creëren van een nieuw kunstwerk. Dat is andere taal.

Welke taal ik ook gebruik: het in gedachten inrichten van de tentoonstelling is wat ik nu doe. Ik meet de werken, ik pas het in, ik stel me voor, ik maak een tekening: kan dit werk daar staan of hangen, moet er veel of weinig ruimte naast, moet het contrasteren met het andere werk of juist niet.

Aah, dan is er toch geen plaats voor dat andere werk. Dat is nou jammer.

Ik associeer deze bezigheden met het organiseren van een feest: welke taarten ga ik bakken, welke soep maak ik? Ik kan verscheidene soepen maken, maar vijf is echt teveel. Niet meer dan twee en die twee moeten dan weer passen bij de gerechten die daarna komen. Je kunt niet alles maken, aanbieden. En inderdaad: die ene heerlijke taart…die kan dan niet. Geen tijd, geen ruimte, past niet bij het andere.

Het voelt verwant, een feest of een tentoonstelling: het is een leuk vooruitzicht.

De poster in ontworpen door mijn man Gerard Schilder. We exposeren samen.

22. PLANTEN ZIEN – SEPTEMBER 2023

Ook deze maand berichten de media over onze ‘blindheid’ voor planten. Nauwelijks twee eeuwen geleden speelden planten een belangrijke rol in ons leven. Zo werden verfstoffen om kleding, vezels te verven uit planten gehaald. Planten werden ook medicinaal gebruikt. Een plant als smeerwortel dankt zijn naam aan het feit dat je er werkzame zalf van kunt maken. En vroeger werden planten natuurlijk gewoon gegeten en gebruikt. Ik denk dat van een brandnetel ongeveer alles bruikbaar is: zowel de vezels uit de stengel als de blaadjes. Paardenbloem, vogelmuur, zevenblad, madeliefje zijn gewoon eetbaar en gezond. Als ik zie hoeveel voortuintjes verdwijnen….inderdaad…veel mensen lijken het verdwijnen van planten nauwelijks te merken.

Enfin: planten zien. De afgelopen maand maakte ik een wandkleed.

Een overzichtsfoto van Planten zien II. Het werkstuk is gemaakt op katoen, is ongeveer 120 cm lang en 45 cm hoog. De gekleurde vlakken zijn gebatikt en de lijnen, de details zijn er met naaigaren met de naaimachine op aangebracht. Het werk is strak gespannen over een houten plaat.

Bij dit werk ben ik begonnen met was aanbrengen: de witte stipjes en streepjes zijn als eerste aangebracht. Daarna lichtblauwe lucht boven en geel beneden. Vervolgens kleine stukjes blauw in de lucht en gele stipjes beneden met was bedekt. Vervolgens maakte ik lijnen en contouren van garen met de naaimachine.

Het is voor het eerst dat ik op deze manier heb gewerkt: doelgericht werken (letten op de compositie, contrast aanbrengen) moest ik af en toe loslaten. Het resultaat stemde me tevreden.

Nog enkele weetjes over planten: een plant zorgt voor foto-synthese, voor zuurstof dus. Een plant maakt glucose, suiker. Insecten eten die suiker. Vogels en kikkers eten de insecten. Los van het feit dat wij niet eens zuurstof kunnen maken: planten kunnen razend ingewikkeld in elkaar zitten. Zo heeft een mens 46 chromosomen (23 paar), maar een varen heeft 720 paar chromosomen.

Direct nadat bovenstaand wandkleed af kwam, begon ik aan een nieuwe versie. Het resultaat laat misschien even op zich wachten, want ik voorzie dat het inrichten van de tentoonstellingen ook tijd gaat vragen.

21. TEKENEN OP DE NAAIMACHINE – AUGUSTUS ’23

De meeste lezers zullen wel weten: een naaimachine kan meer dan alleen in een rechte lijn vooruit en achteruit. Je hebt er een speciale voet voor nodig en de knop die van onderuit zorgt voor grip op de stof zet je uit en de steekgrootte wordt teruggebracht naar nul en vervolgens kun je tekenen met de machine op stof, zoals je tekent met een potlood op een vel papier.

Met mijn vingers zorg ik dat de stof zo strak mogelijk staat. Een verschil met het potlood op papier is: ik beweeg de stof onder de naald en vervolgens ontstaat een beeld.

Zoals zo vaak is dat (tekenen op de naaimachine) makkelijker gezegd dan gedaan. Het kan irritant zijn: iemand kan iets heel goed en zegt dan; ‘Nah, ’t is heel gemakkelijk.’ In mijn geval is het vaak mis gegaan. De naaimachine leek vaak niet te kunnen wat ik wilde. Nu ik de afgelopen weken veel heb geoefend, concludeer ik dat de problemen van weleer vaak te wijten zijn geweest aan een botte naald. Als ik recent een probleem ervaarde (lange lussen aan de achterkant bijvoorbeeld) verving ik de naald en warempel: weg lange lussen.

En vervolgens is het natuurlijk een kwestie van van steeds weer doen: oefening baart kunst.

Het is als met leren lezen of leren fietsen: als je na moet denken over ‘hoe moet dat ook alweer’ dan ben je te laat. Alles wat je leert, dient te automatiseren: je stapt automatisch goed van je fiets. je remde al voordat je woorden vindt die tegen je zeggen ‘Kijk uit.’

Het gaat lang met horten en stoten, maar dan langzaam maar zeker beginnen handelingen zich als vanzelf te voltrekken. Alsof je brein in je vingers is gaan zitten.

Bijgaand bloemetje komt uit een plantengids. Ik naaide het na alsof ik het tekende. Ik ga het nu hierna nog batikken.

De afgelopen maand leende ik een ouder werk uit aan een vriendin. U kent dat wel: nieuw huis, kale muur. Het is een batik aangevuld met naaimachinelijnen van draad. Wat ik wel eens meemaak : ik zie oud werk en ik denk: dat was niet eens zo slecht.

Dit keer viel die gedachte samen met allerlei kennis over planten. Planten spelen een belangrijke rol in het ecologisch evenwicht. Veel mensen weten echt het verschil niet tussen een margriet en een madeliefje. Ik zal niemand afrekenen op het niet paraat hebben van feitenkennis, maar dat veel mensen als het ware blind zijn voor hoe planten zich handhaven, dat maakt dat we planten te weinig zien.

Wij zien planten te weinig en planten zelf zien heel goed wat ze moeten doen, hoe ze moeten groeien om een vaste plaats te krijgen in deze mensenwereld. Maar dat zien wij mensen dan weer niet. Zo verbaast het me dat planten op een parkeerplaats bloeien met bijzonder korte stelen en in mijn tuin bloeit de paardenbloem op een stengel van tientallen centimeters.

Ik ben bezig met twee wandkleden met planten en bloemen. Ze zijn nog niet af, dus ik wacht nog even met ze op de site zetten. Het werk dat u hierboven ziet is een jaar of vier oud. Ik ben benieuwd of u kunt zien dat ik de afgelopen jaren iets heb geleerd. Ik verwacht dat beide werken eind deze maand wel op de site zullen staan.

20. TWEE AQUARELLEN EN EEN TEKENING IN VILTSTIFT – juli ’23

Ik ben al terug van vakantie. Ik bleef in Nederland en kampeerde aan de Overijsselse Vecht, een rustige rivier waar ik in kon zwemmen. Ik kan het iedereen aanraden, tenminste als je van rust en natuur houdt.

De rivier de Vecht in Overijssel bij het plaatsje Beerze, acht kilometer van Ommen. Aquarel: 30 x 40 cm.

Aquarel: 60 x 20 cm. In het nabijgelegen bos groeien klimopplanten. Ik denk dat dit een wilde wingerd is. De planten hechten zich aan de stelen van hun ‘voorouders’ en groeien snel regelrecht omhoog.

Een tekening in viltstift.

Het laatste werk dat ik graag laat zien is een tekening in viltstift. Ik had de viltstiften meegenomen om te schetsen: een lijn, een vlak… een viltstift is een heel direct materiaal…je krijgt direct het resultaat dat je neerzet. Je hoeft niet eens te wachten tot het droog is. Ik had al eens eerder gemerkt dat werken met viltstiften fijn is. Niet alleen omdat de kwaliteit ervan de laatste jaren steeds beter wordt, maar ook omdat het kleurenpalet steeds uitgebreider wordt. Dat het materiaal mij steeds beter gaat bevallen komt waarschijnlijk ook omdat het resultaat wel overeenkomsten vertoont met de batiklijnen. Een vlak wordt vaak opgebouwd uit strepen en/of stippen. De techniek is anders, maar in resultaat doen de twee werkwijzen me toch wel aan elkaar denken.

19. HET PRESENTEREN VAN TEXTIEL WERK IS EEN VAK APART juni ’23

Eeuwenlang was een wandkleed voor één kunstenaar of bijvoorbeeld voor een groep wevers, de meest gangbare vorm om zich op tweedimensionaal vlak uit te drukken. De wandkleden waren groot: ze bedekten heel de muur. De bezitters van die wandkleden waren rijk en gewend om in een zomer- of een winterverblijf te wonen. Hoe functioneel: een wandkleed haal je van de muur, je rolt het op en je personeel verhuist het makkelijk naar je volgende locatie.

Eigenlijk is een olie- of acrylschilderij ook op doek, linnen geschilderd. Alleen: dat doek is standaard over een frame gespannen. Dat bevalt de kunstenaars dermate goed, dat we zo’n frame met doek kant-en-klaar kopen in de winkel.

Gaandeweg verwierven schilderijen meer aanzien dan wandkleden. Om voor mij niet heldere redenen zijn wij die wandkleden vervolgens wandtapijten gaan noemen.

Het makkelijke van een schilderij of aquarel is: als het klaar is doe ik er al dan niet een lijstje omheen of ik prik het papier met een speldje op een wand en daar hangt-ie dan. Pretentieloos, af, niets meer aan doen 🙂

Maar dat is met een wandkleed anders. Als ik een object van textiel niet op de juiste manier presenteer, kan ik het opvouwen als een handdoek, zelfs uitwringen als een vaatdoek of, en zo eindigen veel werken in textiel: ik leg het in een la. Een lade die maar zelden open gaat.

Als we iets maken van textiel, dan is het handig om van te voren te weten: hoe ga ik het werk presenteren? Zelf vind ik die presentatie een vak apart. Ik beschrijf enkele manieren.

Ik begin met een werk van Keith Haring bijvoorbeeld. In 2020 zag ik in Brussel zijn werk (een mooie tussenvorm van schilderij en wandkleed: hij schildert op zeildoek) gepresenteerd via drukknopen op zijn doek, die rechtstreeks pasten op de tentoonstellngswand.

Ik houd van een pretentieloze manier van presenteren: ik laat een eenvoudig lapje zoveel mogelijk een gewoon lapje. Hier werkte ik het lapje af met een zoompje aan de zijkant en een stokje door de onder- en bovenkant. De stokjes verfde ik in kleuren die passen bij het werk.

Als de omlijsting is gemaakt van plexiglas wordt het werk eenvoudig op het glas bevestigd. Het plexiglas zelf is nauwelijks zichtbaar. Maar het geeft geeft op meerdere manieren schaduwen en spiegelingen op de wand. Ik maak eerste een achterkant aan het werk. Die achterkant bevestig ik met dubbelzijdig klittenband. In plexiglas is eenvoudig een gaatje te boren, als je eerst plakband (op de plaats van het toekomstige gaatje) in het plaatje plakt.

Soms doet het een werk goed als het gespannen wordt over een plaat. Er bestaat vernis met een UV-filter die ook kan dienen als lijm. Ik smeer een witte plank in met de vernis en het wandkleed kan onlosmakelijk over de plank worden gespannen.

En wat ik ook wel eens doe: ik maak een frame van relatief dikke balkjes. Mijn gebatikte of geborduurde werk span ik daar overheen. De zijkant van het werk gaat dan meedoen met de afbeelding op de voorkant.

Bij textiel werk vind ik het fijn al ik van te voren al heb bedacht hoe ik het werk ga presenteren.

18. TWEE WANDKLEDEN / BATIKS – FANTASIELANDSCHAPPEN – mei ’23

Ik volgde ooit een cursus, waarbij één van de eerste opdrachten luidde: maak een overzicht van je tien favoriete kunstwerken of kunstenaars. Het zal u niet verbazen: Hockney, Ethel Adnan, Vincent van Gogh, Rhee Nancarrow, Huguette Caland zijn kunstenaars waar ik in kan opgaan. Op Pinterest ‘verzamel’ ik sindsdien werken die ik mooi vind.

De laatste tijd viel het me op dat ik vaker ‘val’ voor bijna abstracte, kleurrijke werken, gebaseerd op natuur, maar het zit al tegen de fantasie aan. De rechtopstaande stammen van bomen zijn een kenmerkend beeld, maar in het echt zullen we onderstaande landschappen niet tegenkomen.

Batik. (Afmetingen ongeveer 55 x 70 cm). De inspiratie bestond uit een boslandschap: het zonlicht valt door het gebladerte en vormt lichte vlakjes op de bodem.

Batik (Afmetingen ongeveer 55 x 70 cm). Het is een soort coulissenlandschap: struiken in bloei op de voorgrond, bomen op de achtergrond. Het zonlicht vormt lichte vlekjes op de voorgrond.

Bij textiel werk vind ik het steeds weer een vraag: hoe werk ik de batik, het lapje stof af? Hoe ga ik het presenteren? Al maak ik iets wat fantastisch mooi is: het blijft een lapje. Vanzelfsprekend wil ik ook dat het een lapje blijft; ik wil niet iets pretenderen wat er niet is. Maar alleen een lapje….ik wil er iets mee doen, waardoor de kijker het werk niet associeert met bijvoorbeeld een stofdoek, want dat is ook een lapje. Ha, ik denk dat ik een thema heb voor het blog van de komende maand, misschien wel maanden: hoe presenteer ik textiel werk?

17. TWEE WANDKLEDEN – april ’23

Bij november ’22 kunt u twee schilderijtjes in acryl zien. De landschapjes zijn mijn vertaling van het uitzicht op de plassen in het Bergse Bos in Bergschenhoek.

Toen de twee schilderijtjes af waren was ik benieuwd: zou het lukken om er een wandkleed van te maken? Welnu: dit is het eerste resultaat. Dit wandkleed is ongeveer 60×50 cm groot.

Ik was blij met het resultaat. Tegelijkertijd kreeg ik ideeën om verbeteringen aan te brengen. Op een bestaande batik is dat eigenlijk niet meer mogelijk. Dus ik begon aan een tweede versie.

Daarna inspireerde diezelfde omgeving me nog een keer.

En dat is dit wandkleed geworden. De afmetingen zijn ongeveer 75×60 cm.

Beide wandkleden hebben een effen achterkant. Beiden hebben aan die achterkant zowel boven als beneden een tunnel van stof waar een halfronde lat in past.

Zo hangen de wandkleden min of meer strak, terwijl het zachte karakter van een lapje textiel behouden blijft.

16. NIEUW SPINNENWEB MET WATERDRUPPELS – maart ’23

Ik maakte een batik en ik ben tevreden over het resultaat. Niet dat er geen kritiek op mogelijk is, maar de tevredenheid is gebaseerd op mijn discipline om alle batikstappen keurig te volgen: eerst gesmolten was aanbrengen, dan een lichte kleur. Dan was over de lichte kleur, dan iets donkerder. In dit geval ben ik gestopt omdat de stof geen nieuwe verf meer opnam: de vezels zijn dan verzadigd met pigment. En de kritiek die ik er zelf over heb luidt: de waterdruppels op de voorgrond concurreren teveel met de bladeren op de achtergrond. Ik ga dus een nieuwe maken: dit keer een spinnenweb met dauwdruppels met een heel rustige achtergrond.

Nu de batik af is, realiseer ik mij: ik maakte al eerder een wandkleed over druppels, dauw eigenlijk, die blijft hangen aan de lijnen van een spinnenweb.

De batik hiernaast is ongeveer 60×50 cm groot. Ik denk dat ik deze batik met vernis ga bevestigen op een paneel. Dan gaat zo’n lapje er heel strak uitzien. Door de vernis intensiveren de kleuren en dat is wel fijn, want er zitten veel kleurnuances in.

Zo’n paneel vormt wel een mooi contrast met de kwetsbaarheid van een spinnenweb. Hoop ik.

Bij het vorige werk dat ik maakte over de dauwdruppels aan een spinnenweb, begon ik met het stempelen van bladeren op een lap katoen. Stempelverf is dekkende verf. Daarna werkte ik verder met transparante batikverf. Het resultaat was lieflijk, maar het had te weinig contrast. Ik moest moed verzamelen om met zwart te gaan werken.

Een beginnend schrijver kan als feedback meekrijgen: kill your darlings. Vergeet je stokpaardjes. Met de zwarte batikverf gingen mijn stokpaardjes er ook aan. Maar het moest: pas door de zwarte vlakken werden de witte, zilveren draden en de glazen kraaltjes zichtbaar.

Beide werkstukken hebben geen focuspunt. De ogen van de kijker meanderen over het werk. Soms valt de blik op een willekeurig detail om van daaruit te zien: hé, hier zit ook nog een motief, een blad.

Komende week ga ik dus verder aan een derde versie van een spinnenweb. Niet gek natuurlijk: een spinnenweb is al een niet te begrijpen natuurfenomeen, die dauwdruppels erop…ik weet… het is gewoon condens, maar ik kan er hoopvol van worden. Misschien ben ik er ook door gefascineerd omdat een spinnenweb eigenlijk een soort zijde is. Het is min of meer het sterkste natuurlijk materiaal. Een ijzerdraadje, zo je het al zo dun kunt krijgen als een zijden draad/een draad uit een spinnenweb breekt bij belasting vijf maal zo snel als de draad van een spinnenweb.

15. NAAR AANLEIDING VAN EEN SCHETSJE: UITLEG OVER MIJN VISIE – februari ’23

Afgelopen vrijdag, kwart voor vijf. Ik zou denken dat het weekend was begonnen, maar daar kwam nog een grondmachine door de straat. In mijn buurt bevindt zich water en in dat water ligt een eiland, beter gezegd een eilandje. Als je er een wandeling maakt en je neemt alle denkbare lussen dan heb je nog steeds geen volle kilometer gelopen. Maar dat maakt niet uit: een eiland is een eiland. En wie neerbuigend spreekt over de postzegeltjes aan natuur die we in de Randstad hebben, werkt er aan mee dat ook die postzegeltjes zullen verdwijnen, want ach…zo’n klein stukje. Wat stelde dat nou voor. Voor mij was/is het stukje mooi genoeg om er af en toe een werkstuk over te maken. Ik zal ze zo dadelijk laten zien.

Maar vandaag dacht ik: ik moet hier een schets over maken.

Sorry, het is niet zo’n mooie schets. Dat komt: de graafmachine schraapte het grasveld af. Dus, hoe slecht voor de compositie: in het midden ligt nu een stuk afgegraven grond.

Ik maakte de schets op aquarelpapier (ongeveer 20x30cm). De lijnen zijn met een fineliner (watervast zwart pigment) gemaakt en de kleuren komen uit een reisdoosje met aquarelverf.

Waarom ‘moest’ ik dit schetsje maken? Soms wordt wel eens gevraagd naar mijn ‘artist statement’. Ik vind het een beetje deftige woorden, maar ik snap wel waarom het belangrijk is: van waaruit werkt iemand? Waarom maak ik een schilderij of een batik? Mijn antwoord is dan: ik wil het moment vastleggen. Momenten doen zich altijd éénmalig aan mij voor. Dus als ik zie hoe mooi de schaduw valt of de zon reflecteert of hoe harmonieus de verhoudingen zijn, dan realiseer ik mij: dit moment gaat nooit meer voorkomen. Morgen is de stand de van de aarde anders en het licht en het weer. En over een jaar ben ikzelf veranderd, dan valt me iets anders op.

Het eilandje heb ik enkele malen de moeite waard gevonden om te schilderen. Ik wilde het mooie, vluchtige moment vangen in een beeld.

Ik laat de werken hieronder zien:

Acrylschilderij: ongeveer 50×60 cm.

Ik maakte het afgelopen zomer tijdens windstil weer. Het water weerspiegelt vrijwel perfect.

Ik had toen niet in gedachte dat ik het moment moest vastleggen omdat er een graafmachine ging komen. In een artist statement gaat het zelden over graafmachines.

Dit is een batik (ongeveer 22×35 cm), gemaakt in herfst van ’20

De laatste herfstbladeren van de berk lijken te zweven in het windstille weer. Misschien herkent u de berk vanaf de (winter)schets.

Het gebatikte lapje stof heb ik geplakt over een plankje en daarna is het werk gevernist.

En het laatste werk dat ik maakte – in de herfst van ’21 – over het eiland is bijgaande batik (ongeveer 40 x 50 cm). Het stelt een herfststorm en regen voor. Ook dit werk is geplakt over een plankje en daarna gevernist.

Ik eindig dit stukje een beetje meewarig: mijn artist statement blijkt niet te gaan over natuurkunde met hoofdletters noch over filosofische overpeinzingen. Het gaat over een graafmachine, vrijdagmiddag om kwart voor vijf. Om half zes was- ie klaar.

14. BATIK OVER EEN TUIN WERD PATCHWORK-WANDKLEED OVER VOLKSTUIN – januari ’23

Ik maakte een batik. Ik wilde een tuin maken, een wilde tuin, vol met bloemen. Toen hij af was, vond ik dat er te weinig contrast in zat.

Misschien had ik het kunnen wagen: meerdere, donkere kleuren toevoegen. Vroeger zou ik zo’n werk in de mand met minder goed gelukte werkstukken hebben gelegd. U begrijpt: die werkstukken kwamen vervolgens nooit meer af.

Nu besloot ik om de gedeeltes waar ik tevreden over ben, uit te knippen. Ik verfde een lap in een neutralere tint grijs; een andere lap werd paars. Eigenlijk had ik een derde lap bruin gedacht, maar de kleur viel roodachtig uit. En dat heb ik zo gelaten. Rode aarde bestaat immers ook en een zonsondergang kan ook rood zijn. Met dank aan het toeval. Omdat de tuin nu (zie de foto van het uiteindelijke werk hieronder) in stukjes wordt verdeeld krijgt hij meer het karakter van een volkstuin.

Het aardige van uitproberen, ogenschijnlijk gewoon maar iets doen, is dat ik altijd wel iets ontdek. Zo vind ik enkele afgeknipte lapjes geïsoleerd mooier dan in het drukke grote geheel; ze komen beter tot hun recht. Het patchwork hiernaast is nog niet helemaal af. Ik wil er nog elementen uit de volkstuin aan toevoegen, bijvoorbeeld wil ik rijen borduren met nét opkomende zaadjes.

Die borduursteekjes zijn dan als het ware de quiltsteken: op deze manier worden de verscheidene lagen stof met elkaar verbonden. En de stukjes waar ik tevreden over ben, bijvoorbeeld het stukje links in het midden, vormen de basis voor een nieuw poging om een tuin te maken die vol met bloemen staat.

13. UITLEG OVER BATIK: BATIK OP PAPIERdecember ’22

Hier en daar legde ik op mijn site al uit: batik is een techniek waarbij je was aanbrengt op het textiel. Daar waar de was zit , komt geen verf. Misschien is het niet makkelijk om je daar een voorstelling van te maken. Ik ontdekte dat ik de batiktechniek een beetje gesimplificeerd kan weergeven met andere materialen: in plaats van textiel gebruik ik aquarelpapier. In plaats van was gebruikt ik oliepastelkrijt en in plaats van textielverf gebruik ik aquarelverf. Ik denk dat in onderstaande reeks wel duidelijk wordt dat batikken een proces kan is: steeds voeg je weer een nieuwe kleur toe. Je stapelt als het ware kleuren.

Ik tekende een afbeelding met wit oliepastelkrijt op wit papier. Bij echt batikken zou ik met een tjanting gesmolten bijenwas op een wit lapje textiel hebben aangebracht. De eerste afbeelding zie je niet, want ik tekende met wit krijt op wit papier. Maar wanneer ik vervolgens het vel papier bestrijk met gele aquarelverf, dan wordt de afbeelding zichtbaar. De gele verf komt niet op de plek waar zich wit oliepastelkrijt bevond.

In de tweede fase bedek ik hetgeen ik wil bewaren van de gele aquarelverf met geel pastelkrijt. Vervolgens ga ik er met okerkleurige aquarelverf overheen. De witte lijnen uit het begin blijven staan en de gele lijnen van het gele pastelkrijt blijven ook in tact.

Dit is de derde versie. De okerkleurige delen die ik wilde bewaren, bedekte ik met okerkleurig krijt. (Bij echt batikken bedek ik dat dus met kleurloze gesmolten was).

Vervolgens bestreek ik heel het vlak met groene aquarel verf. U ziet hoe de achtergrondkleur een steeds diepere gelaagdheid krijgt. De nieuwe laag aquarelverf neemt steeds de vorige kleur in zich op.

En dit is de laatste versie. Alle afbeeldingen die ik wilde bewaren uit het groen heb ik afgedekt met groen oliepastelkrijt. Daar waar dit oliepastelkrijt zat, komt geen blauwe verf.

Als ik wil zou ik nu verder kunnen gaan. Ik kan van het blauw misschien nog wel paars maken. Maar ik ‘durf’ het niet goed meer. Op een zeker moment is het papier/de textiel verzadigd. De kleuren kunnen dan als het ware vuil worden; ze blijven niet meer helder.

Ik hoop hiermee iets duidelijker te hebben gemaakt, hoe batikken in zijn werk gaat. Bij batikken op textiel volgt als laatste fase: de was wordt uit het textiel gehaald.

12. LANDSCHAPPEN VAN MIJN OMGEVING (in acryl) – november ’22

Al tientallen jaren is aquarelleren mijn favoriete schildertechniek. Aquarelverf is transparant. Je kunt kleuren ‘stapelen’: als je een vlak eerst geel kleurt en je gaat er met blauw overheen, dan ontstaat vanzelf groen. De techniek van aquarel lijkt op de techniek van batik. De verf dringt rechtstreeks in de stof. Aquarelpapier is gemaakt van katoen, dus eigenlijk kan ik dat ook textiel noemen. Een nadeel van allebei de technieken is: ze vragen steeds tussentijdse droogtijd. Dus aquarelleren is voor mij typisch een activiteit voor een vakantie: dan werk ik aan meerdere aquarellen.

Dat is de reden dat ik ook schilder met acryl. Acrylverf is meestal een dekkende verf. Het droogt snel, zodat je snel verder kunt werken aan het schilderij. Meestal zijn mijn onderwerpen landschappen uit de directe omgeving van mijn huis.

Ik laat er enkele zien:

Beide schilderijen (30x40cm) zijn gemaakt op basis van één zelfde uitzicht: het is riet bij het Bergse Bos, met uitzicht op de Bergse Plas. Het linker schilderij is tot Kerstmis in de bibliotheek van Berkel te zien: een tentoonstelling met werk van alle leden van de schildergroepen van Jeannette Ruigrok.

Een klein schilderij in acrylverf (20×30 cm): het water, aan het begin van het zangfietspad in Berkel.

11. IMPRESSIES OVER MIJN TENTOONSTELLING IN MOLEN IN WEERT – sept. 2022

In het weekend van 10 en 11 september mocht ik één verdieping van een molen inrichten als tentoonstellingsruimte. Toen ik op vrijdagavond rondkeek werd ik blij: van de kleuren, van hoe de thema’s in alle werken verband met elkaar blijken te hebben, van de afwisseling.

Om een indruk te geven, laat ik enkele foto’s zien

Het thema ‘Volkstuin’ staat voor mij symbool voor veel aspecten uit het leven, bijvoorbeeld hoe we kleine lapjes (grond of stof of ander basismateriaal) met elkaar in harmonie brengen, zodat daar iets kan groeien, iets mag gebeuren, iets kan ontstaan. Ik vond het fijn om mijn lapjeswerk rond dit thema bij elkaar te zien hangen.
Op de achterste wand hangen de wandkleden bij elkaar. De twee wandkleden, gebatikt en geborduurd, met de titel ‘De draad kwijt’ zijn op deze foto het duidelijkst zichtbaar. Op de voorgrond batiks: katoenen lapjes allen met een afbeelding geïnspireerd op de natuur.
Deze wand noemde ik ‘De Spandoeken’; alles is weliswaar van textiel/katoen, maar alle werken zijn opgespannen: over een plank heen of op een plank. Op deze manier krijgt het werk iets meer zeggingskracht.
DE SPANDOEKEN VAN DE MILIEUBEWEGING
Het ongeziene werk van de niet geziene kunstenaar ligt in het openstaande laatje. Tijdens de tentoonstelling in de molen vertelde ik het verhaal dat bij dit werk hoort. Er werd herhaaldelijk gereageerd met woorden als: ‘Mijn borduurwerk ligt ook opgevouwen in een laatje. Ik zal het nu gaan inlijsten.’ En ook zei iemand: ‘Ik kon nog net een werk redden wat tussen oude kleren op een stapel lag. “Kijk dat heeft jullie moeder gemaakt ” ‘. Meer info over het maakproces staat in het eerste item van dit blog.

Het is druk geweest bij de tentoonstelling. Ik was beide dagen aanwezig en ik kon onafgebroken aan bezoekers vertellen over het werk. Wat ik fijn heb gevonden is: veel mensen spraken een voorkeur uit over een bepaald werk. Na twee dagen kon ik concluderen dat ieder werk wel door iemand was genoemd. Soms is dat verrassend: dan heb ikzelf aardig wat pogingen gedaan om een werk meer zeggingskracht te geven, waarna ik toch blijf twijfelen. ‘Zou het zo goed zijn?’ vraag ik me dan af. En vervolgens geeft het echt voldoening om een neutrale kijker te horen zeggen dat ze nu juist dát werk heel mooi vinden.


10. Aquarellen, gemaakt aan de Normandische kust – juli ’22

Het is fijn om buiten het hoogseizoen op vakantie te kunnen gaan. Eerlijk gezegd: ik vond het hier en daar al aan de drukke kant. Ik was in Normandië. Ik wist eigenlijk niet dat die streek zo’n belangrijke rol speelde als bakermat voor de impressionisten. Ik bezocht het museum in Honfleurs, dat genoemd is naar de leermeester van Monet: Boudin. Ook de tuinen van Monet zijn in Normandië te vinden.

Ik maakte onder andere deze aquarellen.

9 – TWEE WANDKLEDEN. TITEL: DE DRAAD KWIJT juni ’22

Ik wilde meedoen aan een wedstrijd over ‘De Draad’. In een Frans dorpje St. Maries aux Mines wordt jaarlijks een grote quilttentoonstelling gehouden. Eigenlijk is het ook een wedstrijd met een thema. Ik werd gegrepen door de titel van het thema, dat luidde ‘Il y a un fil’ (Er was eens… een draad). Hoewel de organisatie eisen stelde aan het formaat (80 x 120 centimeter, nog nooit werkte ik zo groot, besloot ik vanwege die titel direct om mee te doen.

Want: daar heb ik een mening over…de draad. We zijn de draad namelijk kwijt. Ik startte direct met het ontwerp. Het begin wist ik direct: de productie van vlas en het maken van linnen. Het einde wist ik ook: hoe snel wordt de kleding uiteindelijk naar de textielafvalbak gebracht.

Om dit verhaal niet onnodig spannend te maken: mijn quilt, uiteindelijk maakte ik er zelfs twee, werd niet geselecteerd door de commissie. Ik vond het niet erg. Met een glimlach gaf ik het toelatingscomité gelijk: inderdaad ik had me niet echt aan de opdracht gehouden.

Hierbij de eerste quilt

De afbeeldingen zijn gebatikt op linnen. Ook de binnenvoering en de achterkant zijn van dun linnen. Als ik dikkere voering had genomen geeft het quiltwerk een schaduw en dat wilde ik niet. De lijntjes en ‘draden’ op de afbeelding heb ik geborduurd met de machine of met de hand.

De titel ‘De draad kwijt’ (Perdu le fil 🙂 spreekt voor zichzelf. De afbeeldingen laten zien hoe linnen wordt gemaakt uit vlas, via vele bewerkingen: onder andere moeten de vezels rotten en daarna drogen. Daarna kan het worden gesponnen. In het middendeel was ruimte om de drie symbolen van de schikgodinnen te tonen: de centimeter, de draad en de schaar.

In het eerste blog komt nog een stukje over de schikgodinnen.

In het onderste gedeelte maakte ik afbeeldingen die symbool staan voor de rol van het geld: industrialisatie en daarmee onlosmakelijk verbonden uitbuiting en vervuiling.

DE TWEEDE QUILT

Toen de quilt af was, had ik direct enkele ideeën ter verbetering. En dus maakte ik er nog een. De tweede quilt is wat rustiger. Ik heb de afbeeldingen die maatschappelijk ongewenste situaties weergeven op katoen gebatikt en deze katoenen lapjes heb ik er als een apart blokje weer ingezet. Je kunt het een soort patchwork noemen, maar dit keer met de bedoeling dat met de intrede van de katoenproductie wel aardig wat van de vervuiling en uitbuiting is begonnen.

De Tweede quilt is gemaakt van linnen van een zware kwaliteit: bij deze stof kun je het aantal draden per centimeter tellen. Ook hier heb ik de voering licht/dun gehouden.

De Draad Kwijt – een quilt, wandkleed. 120 cm x 80 cm. mei 2022.

Op de onderste twee ‘regels’van het kleed staan middenonder twee afbeeldingen van mensen die het goed voor elkaar lijken te hebben. Eentje bestelt iets vanachter de computer en het andere plaatje toont een bling bling mooie kledingwinkel.

Enfin….langzaam maar zeker heeft een wereldwijd industrieel productieproces het ambacht van de gewone mens overgenomen. Tegen het grote geld en chemische productieprocessen kan een individu niet op.

Het individu in de rijke westerse wereld lijkt er wel op vooruit te gaan: kijk mij shinen met mijn goedkoop aangeschafte kleding. De prijs wordt betaald in arme landen, onzichtbaar ver van ons vandaan. De prijs wordt betaald door de aarde: vervuiling en uitputting van grondstoffen. En de rijke mens is onbedoeld en onbewust een schakel in de keten van slavernij.

Kortom: we zijn de draad kwijt.

Naschrift september ’22 Zo hingen beide quilts naast elkaar bij de tentoonstelling. Ik vond het niet erg dat ik er geen een hoefde te missen: immers niet geselecteerd 🙂

Het aardige van zo’n opdracht is dan toch dat ik daardoor twee werken maakte die groter zijn dan ikzelf ooit zou hebben aangedurfd. Vanaf nu weet ik dus dat ik dat kan: 120 x 80 cm.

8. Quilt voor tentoonstelling in Rijswijk: Over de top. – sept. 2021

Na anderhalf jaar begint langzaam maar zeker het openbare culturele leven weer op te bloeien. Op 15, 16 en 17 oktober komt er een tentoonstelling in de Broodfabriek in Rijswijk bij Den Haag. Het Nederlandse Quiltersgilde organiseert een tentoonstelling van kleine quilts (spreek uit als kwilts), gemaakt door haar leden.

Zou iedereen weten wat een quilt is? De meesten van ons herinneren zich wel een sprei op een bed vroeger bij oma of een pannenlap, die een beetje dikkig is, want hij bestaat uit meerdere lagen stof. Die sprei of pannenlap zijn, vaak volgens een geometrisch patroon, doorgestikt. Zo’n textielwerk dat uit meerdere samengenaaide lagen bestaat heet een quilt.

Soms gaan patchwork (kleine lapjes stof worden in een geometrisch patroon aan elkaar verbonden) en quilten samen. De geometrische vormen worden dan geaccentueerd door de doorgestikte lijn van het naaldwerk.

Imposant werk vind ik. Meestal omdat het kleurig en mooi is, maar vooral ook omdat de grote hoeveelheid arbeidsuren ervan afdruipt.

Maar de meesten van ons zullen het traditionele van zo’n oude sprei minder waarderen. En ook rond patchwork kan een benepen, landelijk sfeertje hangen. Mwa.

Gelukkig zijn daar nu art quilts. Nog altijd lapjes of lappen stof, nog altijd minstens drie lagen, die worden doorgestikt, met de hand of met de machine. Maar de benepen sfeer is weg, hoop ik :-).

Het Quiltersgilde (www.quiltersgilde.nl) heeft als thema voor de tentoonstelling bedacht: Over The Top.

We kennen allemaal de overdrachtelijk betekenis van die uitdrukking: iets is overdreven, te veel. Over the top kan hilarisch zijn en soms gênant.

Ik besluit om over de top letterlijk te nemen. Ik maak een vogel die, wanneer hij over de top van de berg vliegt een nieuwe bereikbare horizon ziet met andere vogels zoals zijzelf.

Ik begin met losse, witte lapjes van katoen die ik machinaal met elkaar verbindt. Heel globaal zit de structuur van de later aangebrachte afbeelding reeds in die witte lapjes. Die ogenschijnlijk zomaar aangebrachte lapjes staan symbool voor de voorwaarden waaraan de omgeving dient te voldoen, voordat een vogel überhaupt kan bestaan. Het is geen vanzelfsprekendheid dat het landschap er is. Honderden factoren moeten op de juiste manier op elkaar inwerken.

Vervolgens begin ik met batikken. Eerst breng ik gesmolten bijenwas aan, een soort kaarsvet. Daar waar het kaarsvet zit, komt geen kleur. Bij deze quilt heb ik ook gebruik gemaakt van een techniek uit het aquarelleren: de nat-in-nat techniek.

Daarna start het doorrijgen. Ik kon enkele plooitjes in de stof maken. Dat lijkt een rimpeling in het landschap. De geborduurde lijnen in de quilt vervullen dezelfde functie als de geverfde lijnen in een schilderij.


7. TWEE QUILTS VOOR TENTOONSTELLING – maart ’22

Enkele weken geleden kreeg ik leuk nieuws. De toelatingscommissie van het Quiltersgilde vond twee van mijn quilts goed genoeg om te worden tentoongesteld. Op 8, 9, en 10 april vindt namelijk een landelijke tentoonstelling plaats in Rijswijk in de BroodFabriek. De wandkleden doen mee in twee categorieën: de eerste heet Langs De Lijn en de andere heet: Grenzen Aan De Groei.

Twee quilts voor de tentoonstelling op 8, 9 en 10 april in de BroodFabriek in Rijswijk

Ik vind het fijn als mijn werk mag meedoen met een grote tentoonstelling. Zo’n landelijke expositie trekt honderden, misschien wel duizenden bezoekers. Een kunstenaar communiceert via haar werk, dus het is fijn als het werk door zoveel mogelijk mensen kan worden gezien.

Er is maar één nadeel: tot de datum van de expositie wil de organisatie liever niet dat ik mijn werk al laat zien op mijn eigen site. Maar nu de tentoonstelling is afgelopen kan dat dus wel.

WANDKLEED I

Het werk Natte Akker maakte ik bij het thema: Grenzen aan de groei. U weet wel: zo luidde de titel van een belangrijk boek dat vijftig jaar geleden reeds voorspelde wat nu nog zichtbaarder is dan toen: we kunnen niet doorgaan met het uitputten van de aarde.

Als ik door het landschap fiets, dan valt me vaak op hoe nat de akkers zijn. Overal staan plassen. Het wonderlijke is: die plassen hebben vaak de vorm van een wolk. En omdat het rimpelloze water de lucht weerspiegelt, lijkt het alsof er een wolk op de akkers ligt. Gek genoeg is het vaak mooi om te zien, maar de betekenis van zo’n natte akker, het water kan niet meer weg, is onheilspellend.

Landelijke tentoonstelling in Rijswijk
De titel van dit werk: Natte Akker. Afmetingen zijn ongeveer 80 x 90 cm.

Het werk is gemaakt van katoen. De basis was een witte lap. Ik breng de kleuren aan met Tobasign verf. Soms gebruik ik deze textielverf als aquarelverf: nat in nat. Waar het wandkleed, het onderwerp vormen nodig had, heb ik de contouren van die vorm bedekt met was, zodat de verf niet uitvloeide. Hier en daar gebruikte ik dus onderdelen van de batiktechniek. En vervolgens heb ik met naald en draad lijnen aangebracht.

Ik heb de natte plas, die lijkt op een wolk in het midden geplaatst. Qua compositie is dat niet gangbaar in de kunst. Als je een onderwerp in het midden plaatst associëren we het wellicht met een bidprentje: de heiligen van vroeger stonden ook gecentreerd. Maar gezien de urgentie van het onderwerp leek het me toch wel gepast om de plas in het midden te zetten.

Het was leuk om te zien dat mensen foto’s maakten van het werk.

WANDKLEED II

Het tweede werk dat ik mocht laten zien op de tentoonstelling heet: ‘Waterdruppels langs de lijnen van het spinnenweb’.

Dit keer wilde ik werken met een combinatie van transparante en dekkende kleuren. De textielverf van de batik geeft een doorzichtig effect: je blijft de geweven structuur van de stof zien. Als ik dat combineer met bijvoorbeeld stempelinkt dan kan het verschil tussen transparant en dekkend een boeiend contrast geven.

Hieronder eerst de foto zien, die de inspiratie vormde voor de batik en daarnaast zie je een van de stadia van de batik.

Foto van waterdruppels die zich al condenserend hechten aan onzichtbare draden van een spinnenweb.
De voorlopige vertaling in textiel, stempelverf en batikverf op een lap katoen. Er zal nog een bewerking volgen, want ik wil meer contrast aanbrengen. En daarna zal ik machinaal met witte draad de structuren van spinnenwebben toevoegen.

En dit is de uiteindelijke versie van het wandkleed.

Tentoonstelling van 8 – 10 april van het Quiltersgilde in Rijswijk

Natuur is voortdurend in verandering. De schoonheid doet zich slechts in een kort moment aan ons voor. Wellicht juist vanwege die vergankelijkheid, het vluchtige vormt de natuur een voortdurende inspiratiebron: ik wil dat ene moment vastleggen.

Deze week zag ik in mijn tuin hoe waterdruppels zich hechten aan nauwelijks zichtbare spinnenwebben. Het lijkt alsof de waterdruppels zweven boven de bladeren. Ik wil daar een batik en daarna een quilt van maken.

6. AQUARELLEN, GEMAAKT IN DE ARDECHE – sept. 2021

In de vakantie, het liefst ga ik kamperen op een camping in de natuur, neem ik altijd mijn aquarelverf mee. Ik vind het ideaal materiaal. Het kan een pakketje zijn dat weinig ruimte inneemt: zelfs een middelgroot blok papier past altijd nog in een rugzak of koffer en tubetjes of napjes zijn al helemaal bescheiden in omvang.

Hierbij enkele resultaten van twee weken in de Ardèche

5. WAAROM SCHRIJF IK? WAAROM MAAK IK? – febr. 2022

Onlangs werd me de vraag gesteld: waarom maak je het werk dat je maakt?

Meestal is op die vraag een glimlachend antwoord afdoende als…’Nou mijn handen zijn gewend bezig te zijn’, of…’Ik wordt altijd blij van kleuren.’….of…: ‘Als de was is verdwenen is het zo’n verrassing hoe het werk eruit ziet.’ Allemaal eerlijke antwoorden, maar de vraag bleek meer diepgaand bedoeld.

Wat beweegt me? Waar komt de gedrevenheid vandaan? Zonder glimlach zei ik: ‘Ik wil er informatie mee overbrengen.’ en later voegde ik toe: ‘Ik wil een beeld van de wereld neerzetten, zoals ik ‘m zie.’ Soms zie ik de wereld mooier dan de meeste mensen, bijvoorbeeld wanneer ik een schilderij maak over iets wat ik zie in mijn directe omgeving. Ik woon in een nieuwbouwwoonwijk. Er zijn mensen die dat burgerlijk noemen. Mag :-). Maar zelf vind ik het hier mooi. Dus dan leg ik dat graag vast. Want voor we het weten zijn er mensen die zeggen: het stelde niets voor. Het kan wel weg. Daarnaast slaat me wel eens de schrik om het hart om iets wat ik zie. Bijvoorbeeld wanneer ze de bomen kappen langs de provinciale weg in mijn dorp. ‘Democratisch proces’, ‘Die worden teruggezet’, is de verklaring. Een uitleg die voor veel mensen afdoende is, maar voor mij niet.

In mijn werk wil ik informatie overbrengen zoals we die niet op school, noch thuis, noch uit de krant leren. Want ook nieuwsmedia zijn volgend: ze vertellen wat er gebeurt, maar de relatie met de wethouder dient wel overeind te blijven. Die is volgende week weer nodig voor een volgend feitje.

In kunst kan ik aandacht vestigen op dat wat niet klopt in de wereld om ons heen.

Daarbij denk ik aan de bomen die enkele jaren geleden in mijn dorp zijn gekapt om een snelweg aan te leggen. Een democratisch proces mag het zijn geweest, maar de aanblik van de omgekapte bomen was verschrikkelijk. Ik maakte er foto’s van. Ik laat er hier enkele zien.

Ik ga er enkele werken over maken. Niet in textiel, want textiel is zacht en toegankelijk. En het werk mag wel om te schrikken zijn. De titel van de schilderijen weet ik al: het is de reclamenaam die is bedacht voor de aanleg van de snelweg. De Groene Boog.

SCHETSEN, GEMAAKT NAAR AANLEIDING VAN DE FOTO’S

Op basis van de foto’s maakte ik deze schetsen in viltstift.




4 – TWEE STUDIES EN MIJN ATELIER jan. 2022

Batikken is enerzijds een eenvoudige techniek: daar waar je gesmolten was aanbrengt komt geen pigment. Maar anderzijds: waar de was niet goed hechtte, sijpelt de verf er onbedoeld doorheen. Om technisch beter te worden maak ik van restjes katoen een studie. Bijgaand ziet u twee voorbeelden van het resultaat.

Inderdaad….er zijn verbeteringen denkbaar, maar daar zijn het studies voor.

Mijn atelier in januari 2022

3. DE AKKERDIJKSE PLAS – AQUAREL, BATIK EN PATCHWORK – juni ’21

Schilderen, batikken, aquarelleren zijn geen eenvoudige ambachten. Tegelijkertijd: het zijn per definitie oppervlakkige bezigheden: je werkt aan een mooie voorkant. Dat is het deel dat wordt getoond.

Hiernaast ziet u een aquarel (ongeveer 20x30cm.) Een landschap bij De Akkerdijkse Plassen, een klein natuurgebied niet ver van mijn dorp.

De oppervlakkigheid van het maken van een mooi plaatje kan me dwars zitten. Er zijn zoveel voorwaarden waaraan voldaan dient te worden voordat zo’n landschap zich zo aan ons kan voordoen……niet te nat, niet te droog, niet te zuur, niet te licht, niet te donker, om te zwijgen over grondwater en stikstof. Als het lukt om desondanks een treffend beeld te scheppen van de werkelijkheid dan nog geeft de afbeelding nooit de complexiteit van de realiteit weer.

Een landschap lijkt een gegeven, maar het plaatje dat zich aan ons voordoet is het resultaat van een uiterst complex samenspel.

Zoekend naar een vorm voor de realiteit áchter de werkelijkheid bouwde ik een lap stof op van kleine vierkante lapjes. Het totaal van kleine verbonden stukjes stof staat symbool voor de complexiteit van de werkelijkheid.

De aquarel die ik hierboven toonde kan ik namaken met textielverf op aan elkaar genaaide stukjes textiel: de verf loopt gewoon door, alsof er geen naad tussen de lapjes zit. Dat vind ik wel een aardige metafoor voor de realiteit: alles wat ik doe of laat heeft consequenties voor heel de omgeving.

De achterkant van een werk zegt dus net zoveel over het werk als de voorkant. In het dagelijks leven worden we vaak misleid met mooie voorkanten. Er is weinig transparantie over de onzichtbare achterkant. Door de achterkant te laten zien, verbeeld ik dat er niet één realiteit is: er zijn honderden factoren die op elkaar inspelen, die zich manifesteren in één realiteit.

Definitieve versie van De Ackerdijkse Plassen: 60×60 cm. Patchwork, batik, wandkleed in lijst.

2. DE OOYPOLDER EN DE POLDER BIJ ZOETERWOUDE – TWEE LANDSCHAPPEN IN STROKEN TEXTIEL – mei 2021

Het begint met een mooi landschap: ik kom graag in de Ooypolder. Dit natuurgebied ligt tussen Nijmegen en de Duitse grens, aan de rivier De Waal. Jaren geleden heeft landschapsbeheer daar de uiterwaarden breder gemaakt. De rivier kreeg meer ruimte.

Op basis van foto’s, die ik maakte, batikte ik deze quilt. Hij is geplakt op een houten plaat (80×50 cm).

Ik had nog niet genoeg van de Ooypolder. Vervolgens plotseling voegen losse ideeën zich samen. Het eerste idee is: de doos met restjes stof. Het zijn stroken die afvallen als ik het beste stuk uit een batik knip. En de volgende inspiratie is: ik zie geschilderde landschappen die min of meer zijn opgebouwd uit horizontale strepen. Ik probeerde uit: kan ik een landschap maken van stroken stof.

Ik maakte dit wandkleed. Ik kan het ook een spandoek noemen, want het is strak gespannen op een oranje geschilderde plank. De stroken stof zijn bevestigd op een oranje geverfde linnen achtergrond.

De afmetingen zijn 50×50 cm. Ik maakte het op basis van een landschap: de polder bij Zoeterwoude.

Ik had er nog geen genoeg van; niet van de Ooypolder en niet van de strokenlandschappen en de restjes stof waren nog niet op. Ik besluit om er ook de proeflapjes van een cursus stofverven voor te gebruiken. Ik maak een impressie van De Ooypolder met restjes textiel. Dit keer is de batik die aan het begin van dit stukje staat afgebeeld mijn inspiratiebron. Dit keer verf ik de bovenkant van de achtergrond blauw en de onderkant geel.

Dit wandkleed wordt 140x 70 cm groot. De stroken naai ik vast op linnen. Ik probeerde om dat machinaal te doen, maar dat lukte niet goed genoeg. Dus de meeste stukje zette ik handmatig wat sterker vast.

Technisch gezien was mijn uitdaging of ik verticale of kromme lijnen kon maken, terwijl ik enkel horizontale stroken gebruik. Volgens mij is dat gelukt.

Uiteindelijk kwam het wandkleed in januari 2022 af. Ik heb het gespannen op een plank.

Bij de tentoonstelling in de molen (foto bij 9 in dit blog) heb ik het gespannen doek op twee houten staanders gezet, een echt spandoek dus 🙂
  1. HET ONGEZIENE WERK VAN ONGEZIEN KUNSTENAAR – april ’21 GEZIEN WORDEN, GEZIEN ZIJN – BE SEEN, FEEL SEEN.

Als u de foto’s ziet, zal het lijken alsof ik aan het timmeren ben, want ik maak een kastje.

Het kastje heeft wel met textiel te maken, want via batikken heb ik op versleten katoen de houtstructuur nagemaakt. Het stof span ik over plankjes en de plankjes naai ik aan elkaar, zodat een ladekastje ontstaat.

De werktitel is nu: …Oh ja…werk ma….middelste la….

In het middelste laatje dat openstaat komt een mooi batikwerk te liggen.

De maakster van de batik is overleden. Ze was jarenlang lid van de batikclub die ikzelf nog maar kort bezoek. Behalve de leden van de batikclub zullen weinig mensen haar werk hebben gezien, laat staan bewonderd.

Mijn lerares ging na het overlijden van de maakster op bezoek bij de familie en ze kreeg een stapeltje batiks mee om uit te delen aan degene die het wilde hebben. Ikzelf koos het lapje dat in de middelste la van mijn kastje ligt. Ik schat nu in dat het daar opgevouwen blijft liggen. De kijker zal het dus niet echt goed kunnen zien, maar daarmee staat het symbool voor veel thuis gemaakt textielwerk. Altijd persoonlijk, soms zelfs prachtig, maar niemand die het ziet.

Dat ligt ook aan de bescheidenheid van de maker, die geen podium voor zichzelf creëert.

Detail uit: Be seen – Feel seen. Batik gespannen op een plank.

Als het kastje af is, komt het op een vloertje te staan en er komt een wand achter: driedimensionaal werk dus.

Hierbij de uiteindelijke versie van ‘Ongezien werk van een ongeziene kunstenaar’. De gebatikte achterwand stelt afgescheurd behang voor, met graffiti gemaakt op de naaimachine. Als vloerkleedje batikte ik een theedoek van Brabants bont. Zo’n afdroogdoek staat symbool voor huishoudelijk werk. Om er een klein cachet van actie aan te geven plaats ik het tafereel op een ladder, want er zijn nog wel wat barricades te overwinnen.

Be seen – feel seen. Alle stoffen zijn gebatikt. De stoffen zijn over houten planken gespannen, de houten planken worden via het textiel met naald en draad verbonden. Afmetingen van de achterwand 90 x 70 cm. De diepte is 30 cm.

En als achtergrond bedacht ik een muur met afbladderend behang. Waar de muur kaal is, staat graffity. U begrijpt: alles is gemaakt van textiel. De letters zijn met de naaimachine gemaakt.

Ik besloot dat ik de naam van de kunstenares niet vermeld. Het werk dat in de la ligt, blijft vrijwel ongezien. De reden voor de anonimiteit is: de maakster zelf trad niet in de openbaarheid. Als een mens merkt dat hij of zij geen maatschappelijke waardering krijgt, dan wordt de gevoelde mening van de buitenwereld een deel van zijn of haar identiteit. Om afwijzing te vermijden, maken we onszelf bij voorbaat klein of onzichtbaar.