Textiel handwerk wordt industriële techniek

  • Inhoud: – Textielmuseum wordt industriemuseum -De industriële revolutie – De industrialisatie rond textiel vond vooral in Engeland plaats – De overgang van huiselijk weefambacht naar industrie – Vincent Van Gogh maakte zeventien schilderijen van (thuis)wevers – van Lyon en zijde – Etymologie: tekst, textiel, techniek – De essentie van menselijke machinale vaardigheden – Voorbeelden van machines die textiel handwerk overnamen – verwijzing naar sites met info over textiele historie van steden – Via industrialisatie via veranderingen naar sociale onrust (wordt aan gewerkt)

Textielmuseum wordt industriemuseum

In de zomer van ’22 ben ik enkele dagen in Lyon. Ah…hier lijkt een eeuwenoud Textielmuseum te zijn: het Musee des Tissus. Tissu is het Franse woord voor weefsel. Tistre is een weverij.

Maar na een zoektocht in de voor mij nieuwe stad blijkt de poort dicht. Er wordt geen uitleg gegeven over de geslotenheid, dus ik probeer of de deur misschien klemt. Waarna de poort zich opent: een meneer in werkkleding vertelt mij dat ik niet naar binnen kan, want hij heeft daar nog ‘beaucoup de travail’ te verrichten.

Wat ik eventjes niet begreep: Google Maps vertelt dat op het door mij ingetypte adres het Industriemuseum is gevestigd. Snel daarna begrijp ik dat Google alvast anticipeert op de toekomst. Die naamswijziging onthult de nieuwe invalshoek: machines in plaats van handwerk.

De industriële revolutie

Vrijwel alle machines, die ten tijde van de industriële revolutie zijn bedacht en uitgevoerd hebben te maken met textiel.
Volgens mij is er slechts één uitzondering en dat is de windmolen: die is bedacht om graan te malen of om water weg te pompen. Later konden windmolens ook worden ingezet om geweven stof te ‘vollen’ (= vervilten), olie uit noten te halen en pigmenten uit stenen.
Maar voor het overige: in China liep men voorop in de ontwikkeling van de weefgetouwen.
In Engeland waren al heel vroeg machines die konden spinnen.
De oude spinnenwielen en de eenvoudige weefgetouwen zijn de eerste machines die te maken hadden met textiel.

Dat de Engelse taal hetzelfde woord kent voor zowel stof/weefsel als fabriek zegt veel: fabric.
In het begin werden in Engeland veel textielmachines aangedreven door (water)molens.
Het woord mill kan in het Engels ook fabriek betekenen.

Het woord fabric betekent in de Engelse taal zowel textiele stof als fabriek.

Ook in Gent heeft men gekozen om de naam van het textielmuseum te veranderen in Industriemuseum.

Dat zal alles met marketing te maken hebben: welke doelgroep spreek ik aan als ik iets wil vertellen over textiel? Hoe groot is die doelgroep en uit wie bestaat die doelgroep? Bij die laatste vraag komt een glimlach op mijn gezicht. Ik denk aan de stroom oudere dames die de textielbeurzen bezoeken, waar ik ook wel eens kom.

De doelgroep voor techniek is groter, jonger en meer divers. Dus uit marketingoogpunt begrijp ik de afweging. Maar ik vind het tevens een voorbeeld hoe geschiedenis wordt geschreven door overwinnaars.
De machines zijn de overwinnaars. De machines zijn bedacht door technisch knappe uitvinders.
Ik begrijp het: die uitvindingen zijn een museum waard.

De industrialisatie rond textiel vond vooral in Engeland plaats

Wie meer wil weten over de industrialisatie in de textiel, moet naar Engeland. Steden als Birmingham, Liverpool…..
Er is al een site die daar uitgebreid over vertelt. Ik verwijs naar die site: Fabriekofiel.

De overgang van huiselijk weefambacht naar een fabriek

Op de site ‘De canon van Neede’ wordt mooi beschreven hoe de overgang van huiselijk ambacht (de term ‘huisvlijt’ wil ik vermijden) in Neede in de Achterhoek naar de textielindustrie in zijn werk ging.

De eerste wevers waren boeren. Ze weefden thuis voor eigen gebruik. Ze hadden een weefhuisje bij hun boerderij of ze weefden in een apart kamertje, want er kwam veel stof van de plantaardige vezels. In Nederland werd tot ver in de 18de eeuw linnen geweven, uit vlas dat men zelf verbouwde. Het weven was werk voor de winter.

Voordat er geweven kon worden, diende een draad gesponnen te worden. Dat zal werk voor de rest van het jaar zijn geweest. Het thuis weven was zwaar en ongezond. De werkhouding zorgde voor pijn in de rug. Om de draad sterker te maken werd gebruikt gemaakt van een meelpapje. Maar het papje werd droog en droog meel is stof. Een wever met stoflongen en een kromme rug was geen uitzondering. De vloer in het wevershuisje was van leem en de eventuele verlichting kwam van een kaars.

Wanneer het gezin geweven lappen stof over had, dan kon deze makkelijk worden verkocht. Zo ontstond handel door zogenoemde linnenreders.

In het weverijmuseum in Geldrop lees ik: het loon van een thuiswever bedroeg in 1850 tussen de 4 en 6 gulden per week.

Vanaf de achttiende eeuw konden boeren in opdracht werken. Ze kregen een vaste prijs per el. Een el is 68 cm.

Inmiddels zorgde de linnenreder voor het garen. De naam van zijn beroep veranderde in fabrikeur. Vanaf 1750 kon ook katoen worden aangeleverd als garen om te weven. De geweven stof diende ook te worden gewassen, gebleekt en vaak geverfd. Dus wasserijen, blekerijen en ververijen ontstonden ook als onderdeel van het industrialisatieproces.

Vanaf de tweede helft 18de eeuw kan de stoommachine worden ingezet.

In 1875 lag het loon van een wever in de fabriek tussen de 5 en 7 gulden per week. Een kind van 12 jaar kon ook in de fabriek gaan werken voor 52 cent per week. Een werkgever die niet tevreden was, kon boetes opleggen: dan werd dus minder verdiend.

Het feit dat ergens textielindustrie was, gaf aan dat het een arm gebied was.

De textielindustrie in Nederland, Tilburg en Enschede zijn het meest bekend, werd dus ook gevestigd in de lage-lonen-gebieden van Nederland. Aan de vestiging daarvan was pas behoefte na 1830, toen Belgie definitief niet meer bij Nederland hoorde. Zo vlak na het bestand zullen de onderlinge verhoudingen niet direct handelsvriendelijk zijn geweest.
Vóór 1830 kwam vrijwel alle textiel uit Belgie en ook uit het gebied in het hedendaagse Noorden van Frankrijk, ook die regio behoorde qua taal en cultuur tot de Lage Landen.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond concurrentie uit lage-lonen-landen verder weg; in die tijd was dat bijvoorbeeld Japan. Nederlandse textielfabrieken fuseerden in hoog tempo.
Dank zij die samenwerkingen konden ze het eind van een tijdperk nog even vertragen.
Medio jaren zestig waren vrijwel alle textielfabrieken verplaatst naar lage lonenlanden.

Vincent Van Gogh maakte zeventien tekeningen/schilderijen van thuiswevers

Vincent Van Gogh was gegrepen door het leven van, de beelden van de thuiswevers. Hij maakte er zeventien tekeningen en schilderijen over. Mooie grote reproducties ervan treft u bij de site van Kroller Moller en bij het Vincent Van Goghmuseum. Zelf maakte ik onderstaande twee foto’s van de diawand uit het weverijmuseum in Geldrop.

Informatie van de sites van het VanGoghmuseum en het Kroller Mollermuseum:

In de periode dat Van Gogh in Nuenen woonde (1883 – 1885) was hij gefascineerd door de thuiswevers. Nuenen telde in die tijd 430 thuiswerkers, een/derde van de mannen was wever. Vrouwen en kinderen hielpen mee: het spinnen van de draad is zeer arbeidsintensief en kinderen maakten handzame bolletjes wol van het garen dat over grote spoelen was gedraaid.

Meer info: www. Van Goghmuseum. http://www.Kroller Moller museum en www. Drije hornick.nl – erfgoedvereniging.


JO KOSTER
was een Nederlandse kunstenares die overleed in het begin van de Tweede Wereldoorlog aan een ziekte. Maar ze had geweigerd om de Arische verklaringen te tekenen, dus haar werk was al in de ban gedaan en vernietigd. Ze had toen al prachtige schilderijen gemaakt, die allen werden verkocht. Ze leidde een inspirerend leven: reisde door Europa met vriendinnen en schilderde ook tijdens die reizen. In de zomer van 2025 is een overzichtstentoonstelling van haar Werk in het Museum te Gouda: al het werk komt uit privé collecties.

Ze liet zich inspireren door de weefgetouwen van Van Gogh. Dit weefgetouw schilderde zij in Italië, in …..(naam volgt)
Uit de schilderijen mogen we concluderen dat er veel overeenkomst in weefcultuur bestond tussen de Brabantse en Italiaanse thuisweverijen.


Lyon en zijde

Weer terug naar de machines in Lyon.

Vanaf de zesde eeuw probeerde men in Europa zijde te produceren. Dat was in Venetie wonderwel gelukt. De Franse koning Lodewijk XI wilde heel graag de zijde, maar hij wilde niet de invoerbelastingen betalen. Het lukte om in de Rhone-vallei een groot centrum voor zijdeweefkunst op te zetten. Aan het eind van de achttiende eeuw telde Lyon meer dan 1800 zijdeweverijen.

Aan het eind van de achttiende eeuw telde Lyon meer dan 1800 zijdeweverijen.

Het weven van zijden stof was in Lyon (een zijden draad ís al gesponnen, officieel heet zo’n draad een filament) was de eerste activiteit die door machines werd overgenomen. De weefgetouwen werden door machines aangedreven.

Etymologie: tekst, textiel, techniek

Ik schreef al in een ander hoofdstuk dat de woorden tekst en textiel dezelfde oorsprong hebben. Daar hoort nog een woord bij: ook het woord techniek heeft etymologisch dezelfde oorsprong als tekst en textiel.

Zou dat komen omdat je de handelingen die nodig zijn om te breien, te weven, te schrijven zo goed kunt opdelen in kleine stapjes? Ik denk aan het zinnetje: ‘insteken, draad omslaan, overhalen, af laten gaan’. Ik denk aan de analogie met het aanleren van de schrijfletters aan kinderen in groep 3: ‘streepje schuin naar boven, boogje terug, streepje naar beneden, een paraplustokje, streepje schuin naar boven’.

Handwerkhandelingen zijn op zichzelf eenvoudig en overzichtelijk. Iedereen kan het.
Alleen: je dient het eindeloos te herhalen voordat de handelingen automatiseren.
En ja: eindeloos automatiseren…laat dat maar aan machines over.

De essentie van menselijke mechanische vaardigheden

Ieder van ons kent het heerlijke gevoel wanneer je een machine kreeg die het werk overneemt, dat je eerst zelf handmatig deed. Mijn eerste typemachine… mijn eerste mixer…hoeveel sneller ging typen in plaats van schrijven, hoeveel makkelijker ging het maken van deeg met de deeghaken…..
Maar na jaren machinegebruik, nadat ik merk dat mijn handschrift iets minder soepel is geworden, als ik heb ervaren dat het maken van mooi deeg ook te maken heeft met de motoriek in de toppen van mijn vingers, merk ik eveneens dat de rust ontbreekt om toch weer de vulpen of mijn handen te gebruiken.

Naarmate ik ouder word lukt het beter: het geeft een meerwaarde om de kwaliteit van het deeg te voelen groeien in mijn vingers. Schrijven met inkt, letters maken die woorden vormen en zo zinnen bouwen: als iemand ziek is probeer ik altijd een echt goeie brief te schrijven. Eigenlijk vind ik het spannend, want mijn gevoel zit erin en raak ik de emotie van de ander zodat die ander troost of houvast vindt? Het is altijd een kleine opluchting als iemand me na een tijdje bedankt. Het is een heel mooi samengaan van alles: intentie, gericht zijn op de ander, de realiteit, woorden vinden, een passende vorm vinden (het juiste papier, een illustratie, de bladspiegel.) afstemmen op de ander en zelf authentiek zijn. Het ritme van het schrijven gaat samen met de betekenis van de woorden.
Het is zeker niet zo dat hoe vaker ik het doe, hoe makkelijker het me afgaat. Misschien wel integendeel: ik schrijf een brief gerust voor de vierde keer over zodat dat ene woordje toch kan worden verbeterd.
Waarschijnlijk word ik kritischer op mijn brieven: dat komt omdat ik nu beter zie hoe ik ze kan verbeteren. Waarschijnlijk vond ik het bij mijn eerste brief al heel wat dat ik ‘m uberhaupt had geschreven met de hand. Dat proces van handmatig mezelf verbeteren is volgens mij een heel belangrijke stap in de (ook cognitieve) ontwikkeling van een mens, een kind. Door de terugkerende herhaling word ik beter. En mezelf ontwikkelen is een voorrecht.
Dus dat is wel een nadeel van machines: ze nemen werk van me over, maar daarna gaan mijn eigen vaardigheden achteruit. En mijn normen om over de kwaliteit te oordelen ook, want dat heb ik letterlijk niet meer zelf in de hand.

Dus dat is wel een nadeel van machines: ze nemen werk van me over, maar daarna gaan mijn eigen vaardigheden achteruit.

Ik kan mijn wetenswaardigheden in gedrukte vorm vastleggen, maar dan gaat mijn geheugen achteruit.
Ik kan de brief typen of printen, maar de verbinding tussen mijn intentie, gevoel en de inhoud van brief of de duidelijkheid van de letters wordt minder voelbaar: er treedt een scheiding op tussen brein en handen, tussen weten en voelen.
Ik kan een kledingstuk bestellen met een druk op de muisknop, maar dat zal me nooit het gevoel van blijdschap en trots geven dan dat ene zelfgemaakte jasje waarvan alles goed is gelukt.

Isaac Stern, groot musicus deed uitspraken over oefenen die worden herhaald door leermeesters in alle sectoren van de muziek, want het leren bespelen van een muziekinstrument is bij uitstek een motorische vaardigheid. Hij zei dat steeds opnieuw weer leren oefenen makkelijker is naarmate je beter wordt.

Hoe beter je een vaardigheid beheerst, hoe vanzelfsprekender het voor de beoefenaar is om nóg beter te worden, hoe makkelijker het is om nog meer te oefenen, te trainen.

Dat zie je goed terug bijvoorbeeld bij kinderen die voor het eerst iets proberen en het lukt niet: de meesten stoppen gelijk.
Maar een geschoolde ambachtsvrouw die maakt die ene wandtas, dat wandkleed met dat terugkerend thema graag steeds weer opnieuw.

Dat geldt zeker ook voor alle technieken die met textiele vaardigheden te maken hebben. Het is werken met je handen, fijne motoriek. Om het echt goed te kunnen moet je brein als het ware in je vingertoppen gaan zitten. En je vingers en handen spelen,werken, naar het lijkt, automatisch.

Wat echt superfijn is: ons motorisch brein is heel sterk. Als je ooit leerde zwemmen en je doet het veertig jaar niet, dan blijk je het blijvend te kunnen. Dat geldt ook voor blokfluit spelen, fietsen, breien, haken.

Ponskaarten bij weefmachines vormden inspiratie voor binaire stelsel

De moderne weefgetouwen vormden zelfs de inspiratiebron voor het binaire stelsel. Machinale weefgetouwen draaiden op ponskaarten: dikke harmonica-achtige kartonnen ‘boeken’ met gaatjes die door de weefmachine werden geleid. Via wél of geen gaatje in de ponskaart was het een relatief kleine stap naar de nullen en de eentjes via welke weg de computer de machines zouden gaan aansturen.
In Horst in Limburg is Museum De Kantfabriek. Daar kun je werkende machines zien die kant vervaardigen. Ook die machines worden aangestuurd door ponskaarten.

Ik schat dat de weefmachine van Jacquard in het nieuwe industriemuseum in Lyon zal komen te staan.
Een filmpje zegt meer dan een foto. Als u wilt: kijkt u op YouTube naar filmpjes over deze weefmachine. Dan wordt zichtbaar hoe de ponskaarten in deze weefmachine zich baseerden op de theorie van Leipnitz uit 1750 en tegelijkertijd de voorloper waren van de huidige digitale apparaten. En de perforatierand, die bij traditionele filmrollen aan de zijkant zit is eveneens ontleend aan de gaatjes in het ponskaartenkarton van de weefmachine. De gebroeders Lumiere, van de film, woonden in Lyon.

Ik maakte deze foto museum in Lyon Confluences. Deze weefmachine werd geconstrueerd rond 1800 en was vijftig jaar later gangbaar. Vele banen van zijdewevers werden overbodig. In 1831 kwamen de zijdewevers in opstand.
Filmpjes op You Tube:
Jacquard weefmachine – een Jacquard weefgetouw in actie –
Binary and the jacquard mechanisme; demonstratie en goede uitleg over het binaire stelsel.

Verwijzingen naar sites met info over historie textiele verledens

Als u geinteresseerd bent in dit onderwerp, leest u dan s.v.p. de site https://fabriekofiel.com/textielfabrieken
Deze site schrijft en leert over industrieel erfgoed.
U vindt er een apart hoofdstuk over de textielfabrieken.
Deze site behandelt voornamelijk textiel erfgoed waarvan de historische gebouwen zijn blijven bestaan, dus info over industriele textielsteden die hun fabrieken afbraken, zult u er niet vinden.
Beschrijvingen van de textielgeschiedenis van zes steden uit Nederland: Almelo, Enschede, Geldrop. Leiden, Tilburg en Winterwijk kunt u daar vinden.

Daarnaast: Gent en Verviers uit Belgie.
Uit Duitsland: Aken, Bocholt, Krefeld, Monchen Gladbach en Nordhorn.
Uit Frankrijk: Lille en Roubaix en uit het Verenigd Koninkrijk: Manchester en Leeds.

Bij Fabriekofiel.com vindt u ook een hoofdstuk over Lyon. In dit hoofdstuk gaat het ook over zijde, maar daarna over kunstzijde: deze werd nog vijftig jaar lang geproduceerd nadat de zijdeweverijen ten onder waren gegaan.

Andere sites met info over de industrialisatie rond textiel: https://www.gent-geprent.com

Van industrialisatie via veranderingen naar sociale onrust

Een stad als Lyon heeft zijn groei en ontwikkeling volledig te danken aan de textielindustrie, aan de zijde. Vanaf 1450 was er in Lyon alleen hándel in zijde: in Italië produceerde men al vanaf de twaalfde eeuw zelf zijde. De regio van de Provence ligt gunstig ten opzichte van Lyon en was klimatologisch geschikt voor moerbeibomen en zijderupsen. De eerste zijdewevers kwam uit Piemonte uit Italie. Er ontstond grote behoefte aan arbeidskrachten. De bevolking van Lyon groeide van 30.000 naar 100.000 inwoners.

Door de verschillende fasen in het productieproces ontstaan groepjes collega’s, dat worden sociale structuren. Die verschillende groepjes ‘geven’, lees verkopen, hun product in het maakproces door aan hun collega’s die in een volgende fase van het maakproces zitten. Zo ontstaan economisch structuren.
Een wever bijvoorbeeld heeft een spoel, een haspel nodig waarop lange zijden draden zijn gewonden. Een wever heeft dus connecties met zijdehaspelaars: zij zoeken in de cocon naar het begin van de draad. Het begin en het eind van de draad heeft een minder goede kwaliteit dan het midden van de draad.

Het economisch stelsel dat in Lyon met zijde ontstaat lijkt één op één hetzelfde als in Nederland met de thuiswevers gebeurde. Je had de zijdehandelaars (soyeux) die de orders plaatsten en de grondstof aanleverden.
En je had de thuiswevers. Deze werden canuts genoemd. De samenwerking tussen soyeux en canuts noemde men de Grande Fabrique.

Vanaf 1815 doen de grote mechanische weefgetouwen hun intrede. Deze weefgetouwen hadden een grote, hoge ruimte nodig (wel vier meter hoog). Die pasten niet in een woonhuis. De machines werden geplaatst in een klooster in een dorpje verderop in La Croix Rouge. Tot op de dag van vandaag wordt dit deel van Lyon ‘de werkende heuvel’ genoemd. Inmiddels is de wijk weer onderdeel van Lyon, maar in die tijd nog niet. Vijf van de zes traditionele wevers werden overbodig.

De Franse overheid was blij met het klooster buiten Lyon. Vanwege die ligging vervielen de subsidieregelingen. De huren lagen er lager en op een heuvel zijn geen rivieren die buiten hun oevers konden treden.

Er waren grote sociale protesten. De Franse regering zette tienduizenden soldaten in. In 1831 vielen 171 doden bij de protesten en in 1834 zeshonderd (!) doden.
Om de protesten te ontwijken werden de ateliers steeds meer verplaatst verder buiten Lyon.Dus in plaats van woonwijken waar leven en werken helemaal met elkaar waren verknoopt, ontstonden productiedistricten.

Het type arbeider begon te veranderen: je had de werkplaatsleiders, die eigenaar waren van het weefgetouw. Soms waren zij tegelijkertijd wever, meesterwever. Maar zij hadden zeker ook gezellen, leerlingen in dienst.

Ik vind bij Wikipedia twee getallen: in 1834 waren er 2.500 werkplaatsleiders. In 1835 waren er 8000 werkplaatsleiders en 30.000 gezellen. Ook de vrouwen en kinderen van de werkplaatsleiders konden worden gezien als leerling/gezel.

Tot in 1849 zijn opstanden met groot geweld onderdrukt.
De canuts streden met de slogan: ‘Leef vrij terwijl je werkt of sterf terwijl je vecht.

Een werkplaats in de Middeleeuwen

Wellicht hebben de meesten van ons een min of meer romantisch idee van een werkplaats in de Middeleeuwen: iets wat zich qua sfeer bevindt tussen hamertje tik en De Efteling Land van Laaf.

Maar naar de normen van nu was het een totaal andere tijd.
– Kinderen waren maar heel kort kind. Vanaf ongeveer zes á zeven jaar hielpen ze mee, hadden ze een taak.
– In de werkplaats in de Middeleeuwen werden werk, ambacht, opdracht vervlochten met familie en gezin. Alles vond in één ruimte plaats.
– In de werkplaats, lees thuis werd een ambacht verricht. En ambachten luisteren naar strenge wetten en voorschriften. Die werden van generatie op generatie overgedragen. Een kind dat niet goed luisterde naar de eigen vader kon in de leer worden gedaan bij een collega ambachtman. En de collega ambachtsman kon zich een strenger optreden veroorloven dan de vader.
– Soms vond het werk plaats binnen officiële gilden, maar ook wanneer deze ontbraken: het principe van beginnen als leerling en na jaren pas gezel worden was in ieder tak van ambacht ingevoerd.

De canuts

Spreek uit als ‘kany’. Het wordt vertaald als knoet.

De opstanden van de canuts en de reactie van de regering vormden ook de inspiratie voor filosofen, denkers over bezittende klasse en arbeiders. Het zijn déze sociale ontwikkelingen geweest die de directe basis vormden voor de theorieën van Karl Marx, Fourier en Proudhon. Zulke denkers waren er voorheen niet.

Het is niet duidelijk waar het woord Canuts van afstamt. Vanaf 1833 bestaat ook het woord canuses: er zullen dus ook veel vrouwen hebben meegestreden.
Voor de herkomst van het woord worden verbanden gelegd met voorwerpen uit die tijd die ons niets meer zeggen. Waarschijnlijk is het een geuzennaam. Een soort scheldwoord, dat je trots gaat gebruiken: oké, noem mij gerust zo. Ik ben er trots op. Ik denk aan betitelingen als Dolle Mina. Dat gebruiken sommige mensen nu ook als: noem mij gerust een Dolle Mina.

De canuts hebben zó gevochten voor hun manier van leven, voor hun vak dat ze nadere aandacht verdienen.

U herinnert zich de term ‘Grande Fabrique’ (de samenwerking tussen de zijdehandelaars en de thuiswevers). Die thuiswevers noemden zichzelf fabrieksarbeiders.
Het was een grote, gerespecteerde beroepsgroep die goed verdienden, mede dankzij het feit dat ze bijzonder lange werkdagen maakten: zestien uur wordt genoemd. Er zijn ook bronnen die zeggen dat ze (in geld) niet rijk waren.
Het thuis zijde weven was niet zomaar een beroep: het was een manier van leven. Hun normen en waarden stonden in dienst van het productieproces. Zelfs bij het sluiten van een huwelijk kon een weefgetouw de kern van het contract bepalen.
Hygiëne is belangrijk bij het weven, want huisstof, gruis, gassen, geuren kunnen zijde of de kleur aantasten.
Het wordt ook een morele organisatie met diepe zelftrots. Er is ook sprake van sociale opvang. Het mutualisme ( waarbij je elkaar helpt, ondersteunt wanneer nodig) zal later een te verdedigen onderdeel worden van de sociale strijd.

De kwaliteit van de weefsels is overigens adembenemend: het is niet een kwestie van een mooie glans of een leuke ruit: het zijn bloemmotieven, alles weelderig. De meeste mensen uit onze tijd zullen de motieven ‘te veel ‘ vinden, maar het is een wonder dat een groepje mensen dat handmatig thuis kan maken.

De oppervlakte van een verdieping, woonruimte werd niet in vierkante meters weergegeven, maar er werd verteld hoeveel weefgetouwen er in konden staan. Werken en wonen ging volkomen hand in hand, waarbij ikzelf denk: en dan gaat werken altijd voor.

De manier van leven bepaalden ook de emoties. Het is een zeer gedisciplineerd bestaan. Vanwege die discipline kan/wil niet iedereen leerling worden.

Wie in Lyon op bezoek is: probeer een rondleiding te boeken met een gids die de ‘trabouilles’ mag laten zien. En een enkele trabouille is (als u zeer zachtjes loopt en het adres zoekt in toeristengidsen) toegankelijk voor publiek. Trabouilles lijken vanaf de straatzijde op een gewone voordeur, maar als je ze open doet kom je in een donkere gang naar steegjes, bij trappetjes, straatjes: ze zijn ontstaan tijdens de Grande Fabrique. Verschillende beroepen (een wever heeft bijvoorbeeld een zijdehaspelaar nodig) konden naast elkaar bestaan en binnendoor naar elkaar oversteken. Ten tijde van de opstanden waren het perfecte vluchtroutes en verstopplekken.

Ik stel me voor: het gezin van de thuiswevers…ze hebben alles perfect voor elkaar…hard werken met een product waar ze blij van worden, trots op zijn…en dan plotseling komen er in een oud klooster tien kilometer verderop grote weefmachines te staan. Met geen mogelijkheid zou zo’n hoge machines in hun huis passen.

Bij de opstanden was het de Canuts ook te doen om het behoud van hun onderlinge sociale regelingen. In 1848 werd het mutualisme en cooperatieve verenigingen toegestaan.

Rond 1830 in Nederland

Terwijl in Frankrijk de canuts hun sociale strijd streden, kregen in Nederland de definitieve afspraken over de grenzen van het land hun beslag. De onderhandelingen daarover hadden ruim een decennium geduurd. Tot hun verrassing bleken de Limburgers bij Nederland te horen.
Wat men zich bij de onderhandelingen waarschijnlijk ook niet ten volle had gerealiseerd: heel de textielindustrie van de Lage Landen speelde zich af in het gebied Noord-Frankrijk – Gent, Brugge. Nederland had dus geen textielproductie meer.

Vanaf toen werden in Nederland textielfabrieken opgericht.

Waarschijnlijk zult u deze geschiedenis beter kunnen plaatsen wanneer u uitleg krijgt over het woord Calicot. Calicot is katoen. Calicot is grof geweven. Calicot is onbewerkt: dus de kleur is naturel wit. De naam komt van de Indiase stad Calicoet. Calicot werd veel geproduceerd voor Nederlands Indie, waar het werd geruilt tegen bijvoorbeeld specerijen.

In Almelo kwam de eerste katoenweverij te staan. Maar het verkrijgen van voldoende werkkrachten was een probleem, dus er verrezen ook weverijen in Denekamp, Vollenhove, Zierikzee, Westkapelle, Brielle, Oldenzaal, Borculo, Eibergen, Neede en Winterswijk.
In verscheidene steden werden de weverijen opgericht ter bestrijding van de armoede die het gevolg was van de grote werkloosheid. In de praktijk waren het vooral kinderen die het laag betaalde werk uitvoerden. Ze weefden nog terwijl ze in de groei waren, waardoor ze krom groeiden.

Het is niet moeilijk om meer info te vinden over dit gedeelte van de textielgeschiedenis. Als u bijvoorbeeld ‘Textielproductie in Denekamp’ gebruikt als zoekterm dan zult u veel kennis opdoen.

In 1861 brak de Amerikaanse Burgeroorlog uit. De in die periode afgeschafte slavernij draaide volledig op katoen, waardoor de katoenen grondstof duurder werd.
De producenten schakelden over op stoomweverijen. Stoomweverijen spaarde arbeidskosten en kon bovendien fijnere weefsels maken. Daardoor kwam er een eind aan de halicotweverijen in Nederland.

De overwinnaar schrijft de geschiedenis

In 1901 komt in Lyon een groot standbeeld van Jacquard te staan. Op de sokkel staat de tekst ‘Weldoener van de zijdearbeiders.’ Er zijn op dat moment 500 mechanische weefgetouwen in touw.

De geschiedenis van de verliezers

Een opstand van vakmensen (wevers) die zoveel doden kost….dat lijkt wel oorlog. Eigenlijk was het dat ook. Steeds weer zie je, als de textielindustrie zich ergens nieuw gaat vestigen, dat er veel slachtoffers vallen. Blijkbaar lukte het de investeerders….het was een nieuwe ontwikkeling….. Ik betitel een nieuw beroep van eeuwen geleden met een term van nu…. ik bedoel mensen met geld die kansen zagen om nog meer geld te verdienen, om samen te werken met de overheid. Want anders kunnen niet honderden mensen omkomen.

Ook in het boek over katoen wordt dat beschreven: de staat, de overheid gaf vergunningen voor land, vergunningen om te bouwen. Vervolgens werden de toezeggingen aan de nieuwe eigenaars hardhandig verdedigd. De overheid schroomde niet om geweld toe te passen. Ook bij de productie van katoen zijn op deze wijze duizenden mensen omgekomen.

Wordt vervolgd, schrijf ik op 16 januari 2025. 🙂


Literatuur: Wikipedia – arboretum Oudenbosch – moerbeiboom
www. Wikipedia – Calicot.
www. Het-canon.nl . Canon van Neede – hoofdstuk 13 – Textielindustrie
www. Van goghmuseum.nl
www. Kroller Moller museum
www. Weverijmuseum in Geldrop
www. Drije Hornick.nl – erfgoedvereniging.
De Franse Wikipedia klikken op vertalen naar Nederlands) : fr.wikipedia.org/wiki/canut. Canut wordt dan vertaald als Knoet.
Filmpjes op You Tube: Jacquard weefmachine – een Jacquard weefgetouw in actie –
Binary and the jacquard mechanisme; demonstratie en goede uitleg over het binaire stelsel.