Weemoed: vertederd denk ik terug aan iets dat niet meer bestaat.
Niet dat ik het gesprek, de persoon, de omstandigheden nu nog mis, maar ik ben me bewust dat het bijzonder was dat ik een ervaring beleefde, iemand ontmoette, ergens was.
Ze maakten mijn wereld destijds groter en mijn wereld blééf ruimer ná de ontmoeting, na de les.
Die ervaringen vormen nu inspiratie. Wat ik maak is mijn moeite waard.
Deze maand en ook de komende weken: ik schreef teksten voor de site Textielkunde.
Logisch: wie schrijft, kan niet tegelijkertijd schilderen en niet iets maken met naald en draad.
Dus vandaar…mijn weemoed naar tien jaar geleden en de werken van toen komen praktisch goed van pas.
Volgende maand zal ik het wandkleed laten zien waar ik aan werk.
September 2016.
Tien jaar geleden begon ik aan een textielopleiding.
Het gebouw waar de cursus werd gegeven bevond zich in Amsterdam.
‘Onder de Bogen’ luidde het adres. De cursusruimte bevond zich, evenals tientallen andere meest creatieve bedrijven, onder de rails van de treinen naar Amsterdam Centraal Station.
Eenmaal binnen hoorde je die treinen boven je hoofd rijden; na een korte gewenning nam ik die geluiden niet meer waar.
Midden in de woonwijk aan de overkant zat een timmerbedrijf; de overdekte opslagruimte toonde de kopse kanten van houten balken. Ze deden me denken aan patchwork.
Mijn cursusruimte bevond zich aan de achterkant van het, handig 🙂 bij treinrails, langwerpige gebouw.
Paralel daaraan liep een gracht.
Recent leerde ik de naam van het type boot dat op die zaterdagen vaak voorbij voer: champagneboot.
Wanneer ik op zo’n plek in de grote stad iets te zoeken heb…dan komt een glimlach…het was een lange weg om hier te komen, maar ik ben er. Het is gelukt.
Drie jaar lang volgde ik in die cursusruimte op zaterdagen opleidingen op het gebied van textiel.
Grote tafels stonden er: ruime werkplekken voor ruim een dozijn cursisten.
En in de kasten rondom: veel transparante dozen met alle denkbare, vaak kosteloze materialen in alle kleuren: ook die vlakjes deden me denken aan patchwork.
Het instituut bestaat niet meer: het kwetsbare verdienmodel van zulke éénmensbedrijven bleek zelden bestand tegen bijvoorbeeld coronamaatregelen.
In de naam van het opleidingsinstituut stond de afkorting D.I.Y. : Do It Yourself.
Ik leerde dat het begrip D.I.Y. hét visitekaartje was/is van de punkbeweging.
Ik ontmoette wel veertig jaar geleden, als min of meer oude hippie in het punktijdperk, punkers op het station waar ik uit de bus stapte, op doorreis naar een niet kunstzinnige, wel geliefde werkplek met kinderen.
De hanenkam en de flower-power, het bleven voor mij lang twee werelden.
Die letters D.I.Y. van mijn textielschool sprak ik vaak zachtjes uit.
Punk betekent: kijk nergens tegen op, kijk hóe wat dan ook – een tafel of een maatschappelijke organisatie – in elkaar zit en maak het dan zélf.
Wanneer ik nú (sept 2026) bijvoorbeeld denk aan de macht van de textielindustrie (ik bedoel de vervuilende fossiele fabrieken, die een autoband of kunstgras textiel noemen) dan is het punk-adagium: ‘maak-het-zelf!’. Die leus is een goede manier om greep op de realiteit en een passend gevoel van eigenwaarde te krijgen.
Zaai en maai zelf je gras en reis met openbaar vervoer.
Maar die woorden zou ik tien jaar geleden niet hebben kunnen vinden. Ik was nog te hippie.
Aan het begin van de D.I.Y opleiding hoorden we: de bedoeling is dat iedere student ‘één thema’ kiest.
Twee jaar lang zouden alle opdrachten, bijvoorbeeld borduren, passen in dat éne thema.
Ik koos te grote onderwerpen: ‘natuur’ bijvoorbeeld, maar…wat is dan géén natuur.
Wat raakt je dan bijvoorbeeld in de natuur? was de vraag van de docent.
Op die vraag had ik niet eens een antwoord, maar wel kon ik stamelend vertellen: ‘Toen ik zojuist in de trein zat op weg hiernaar toe, keek ik uit het raam naar beneden en ik zag al die volkstuintjes…..’
‘Neem volkstuintjes’ adviseerde ze. En zo kwam het: volkstuinen als grote inspiratiebron.
De docent, ook oprichtster van het instituut gaf ook zelf les: theorie en praktijk van textieltechnieken, over principes in de kunst, bijvoorbeeld compositie of zichtlijnen.
Daarna gingen wij leerlingen aan de slag.
Ik overlegde na haar uitleg wel eens over mijn artistiekerige vraag: zal ik a…of zal ik b? Kijk, ik kan de focus leggen op c of zal ik toch kiezen voor d?
Er kwam altijd een welwillend begin van een antwoord, maar al snel volgde haar lach met de woorden:
‘Weet je, probeer :-)’
Deze zin gaat de titel worden van het blog in oktober 2026.

Ginni Fleck en haar werk
Omdat het deze maand tien jaar geleden is dat ik startte aan de opleiding, wil ik de naam noemen en de site van de oprichtster van het D.I.Y. instituut: the one and only… Ginni Fleck.
Gelukkig: haar werk als textielkunstenaar is gewoon te zien.
Als u wenst: ook u kunt zich door haar laten inspireren 🙂
Het werk hiernaast heet ‘Leafde’.
Haar site is: https://ginnifleck.com/
Ander werk van Ginni is te zien via de link:
Graag laat ik u werk zien uit bovengenoemde periode nu tien jaar geleden.
En het lukte: het thema bleef een opleiding lang ‘Volkstuin.’

Het werk dat u reeds zag aan het begin van dit artikel is geborduurd.
Ik verfde de stof (borduurlinnen) zelf.
Op een volkstuin zie je bijzonder veel geometrische patronen: de vele structuren van het gaas, het hekwerk, de draden waarlangs de planten omhoog gaan kruipen, de bonenstaken, de stokjes.
Op die visuele beelden, heel karakteristiek voor een volkstuin is dit werk gebaseerd.
Het borduurwerk is ongeveer 12 x 18 cm. Maar met het ruime ‘passe-partout’ ontstaat een wandkleed van 30×40 cm.

Ook dit werk is gebaseerd op de volkstuin. De textiele techniek is weven.
Om de strakke lengtedraden te verkrijgen: ik ging met de draad op en neer via aangebrachte spijkertjes in een houten lijst.
Alle lengtedraden zijn van groen katoen.
Het is een bovenaanzicht: lapjes grond van bovenaf bezien.
Ik kan smelten, bij het overeenkomstig woordgebruik: lapje grond, lapje stof.

Allemaal restjes stof in een eenvoudig patroon machinaal verbonden met elkaar. De beige stroken zijn van borduurlinnen. De andere stofjes zijn van katoen. Allemaal restjes.
Daarna heb ik enkele afbeeldingen met de naaimachine (je kunt een naaimachine in een soort vrije stand zetten) extra aandacht gegeven.
In die vrije stand kun je als het ware tekenen met de naaimachine.
Het is een wandkleed.
Ongeveer 50×50 cm.

Patchwork, alle lapjes machinaal aan elkaar verbonden.
Je begint met kleine lapjes, die worden steeds groter.
En op zeker moment besluit je om al die rechthoeken en vierkanten met elkaar te verbinden; in dit geval met knalgele stof.
Alle lapjes zijn zelf geverfd.
Wanneer het qua kleur te overweldigend dreigde te worden, gebruikte ik een grijs lapje.
Het is een wandkleed,
Ongeveer 60×40 cm.
Tot zover. Ik wens u veel inspiratie 🙂 de komende maand.
